dierenwelzijn krijgt recht van spreken

February 5, 2018 | Author: Anonymous | Category: N/A
Share Embed


Short Description

Download dierenwelzijn krijgt recht van spreken...

Description

O2 4 vets

nr .

5&6

september / o ktober / n ovember / d ecember

2010

nieuwsbrief veterinair praktijkmanagement en recht

tweemaandelijkse nieuwsbrief

een uitgave van

story publishers

in dit n u m m e r 1. Interview met Erik Van Tilburgh (Fool Volksgezond­ heid / afdeling dieren­ welzijn): ‘Dierenwelzijn krijgt recht van spreken’. 2. Psycho­f armaca bij gezelschaps­dieren: praktisch – Tiny De Keuster 3. Beroeps­opleiding in het buiteland of gesponsorde snoep­r eizen? Fiscus legt misbruik aan banden – Fronty Moesen 4. Professionele samen­ werkingsverbanden: enkele ( juridische) aandachts­ punten – Erik Spruyt 5. Register 2008 –  2 010

meer info / bestellen : www.storypublishers.be € 29,50 (incl. BTW)

DIERENWEL ZIJN KRIJGT RECHT VAN SPREKEN interview met Eric Van Tilburgh (FOD Volksgezondheid/afdeling dierenwelzijn)

“Het klopt dat ik als kind al begaan was met het lot van dieren en dat ik ervan droomde dierenarts te worden. Wat dus ook gebeurde; in 1982 studeerde ik af. In mijn tijd besteedde de dierenartsenopleiding nog weinig aandacht aan dierenwelzijn; alles was veeleer gericht op het economische aspect van dieren. Landbouwdieren moesten opbrengen zoniet gingen ze richting slachthuis en ingrepen op dieren mochten vooral niet te veel kosten. Na mijn afstuderen besloot ik eerst en vooral mijn legerdienst te doen en tijdens die periode studeerde ik voor het examen ‘dierenartsinspecteur’. Met mijn stagewerk over proefdieren zette ik de toon. Eenmaal afgezwaaid én geslaagd voor het examen begon ik op 1 december 1984 op de diergeneeskundige inspectie van het ministerie van Landbouw. Dierenwelzijn en CITES (Convention on Internatio­ nal Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora) werden mijn eerste bevoegdheden.’

Van bescherming tot welzijn

Sinds die tijd heeft Eric Van Tilburgh heel wat zien evolueren wat betreft dieren-

Beste lezer,

‘Verlaat de platgetreden paden en verruim je horizon’, dat was

het advies dat Eric Van Tilburgh bij zijn afstuderen als dierenarts, meekreeg van zijn decaan.

Niet veel ouder dan een kleuter wilde Eric Van Tilburgh al zieke dieren beter maken. Anno 2010 is hij binnen de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, hoofd van de afdeling ‘Dierenwelzijn’. Eric helpt met andere woorden het beleid met betrekking tot het welzijn van dieren mee bepalen en is verantwoordelijk voor de realisatie ervan. O24 Vets ging met hem praten over de Belgische situatie ter zake, over economie versus ethiek en over hoe dierenartsen als ambtenaar een toegevoegde waarde kunnen leveren. Jeugdig mededogen

Editoriaal

Dat is ook wat wij al twee jaar lang met deze nieuwsbrief proberen te doen (met dit nummer hebt u het laat­ ste nummer van de tweede jaargang in handen). Met O24Vets bekijken wij het beroep ‘dierenarts’ vanuit andere invalshoeken en zien wij de dierenarts in een ruimere setting dan het louter toedienen van diergeneeskun­ dige zorg.

welzijn. ‘Hoewel in het parlement al volop discussies gaande waren over het welbevinden van dieren en er een ‘Wet op dierenbescherming’ bestond, kwam er pas in 1986 een uitgebreide ‘Wet op het dierenwelzijn’ die vandaag niet minder dan 47 artikelen telt. Die positieve evolutie is deels te danken aan de stimulerende rol van het grote publiek en deels aan de inspanningen en druk van dieren­ beschermingsorganisaties als GAIA. De grote boost kwam in 1999, toen Magda Aelvoet (Agalev) minister van Consu­ men­tenzaken, Volksgezondheid en Leef­ milieu werd. Zij zorgde dat de afdeling ‘dierenwelzijn en CITES’ een aparte entiteit werd binnen het departement Volksgezondheid en zij versterkte de nieuwe afdeling met zes dierenartsen en twee biologen.’

“We doen het niet slecht” België scoort goed...

We mogen dus tevreden zijn over de positie die ons land inneemt als het gaat om dierenwelzijn? ‘Wij doen het niet slecht,’ bevestigt Eric. ‘Doordat wij

Eric Van Tilburgh nam zelf ook het bovenstaande advies ter harte. Hij koos voor de vrij ongewone com­ binatie van ambtenaar en dierenarts en bepaalt in die hoedanigheid mee het het nationale beleid inzake dierenwelzijn. Tiny De Keuster heeft eveneens een allesbehalve stereotiep pad gekozen. Als een van de weinige dierenartsen ter wereld is zij gespecialiseerd in het gedrag van gezelschapsdieren. Zij wordt internationaal erkend als dé expert als het gaat om gedragstherapie bij bijtincidenten met honden. Verder vertelt Franky Maesen in dit nummer wat het verschil is tussen beroepsopleidingen in het buitenland en gesponsorde snoepreisjes. Notaris Eric Spruyt geeft op zijn beurt een heldere uiteenzetting van juri­dische aandachtspunten bij profes­sionele samenwerkingsverbanden. Eens te meer wensen wij u veel leesplezier. Graag zien wij u terug bij het eerste nummer van de volgende jaargang. Tot dan! De redactie

gedreven en deskundige medewerkers heb­ben en ook ministers hebben (gehad) die geïnteresseerd zijn (waren) in dierenwelzijn, hebben we heel wat progressieve standpunten kunnen innemen. Onze wetgeving op dierentuinen is bijvoorbeeld een van de beste binnen Europa. En het feit dat wij beschikken over een lijst van dieren die men mag houden – de zogenaamde ‘positieve lijst – mag ook vrij uniek heten. Als alles naar wens verloopt verbiedt ons land als eerste in Europa de invoer van katten en honden uit landen die het niet zo nauw nemen wat dierenwelzijn betreft1. Wij zullen dus als testcase en voorbeeld binnen de EU fungeren; een voorbeeld dat wellicht snel navolging zal krijgen.’

betreft het welzijn van landbouwdieren, ‘gemiddeld’ scoren, heeft ook veel te maken met de economische belangen van die sector. Tot een aantal jaren geleden was het namelijk vanzelfsprekend dat beleidsmatig het welzijn van landbouwers primeerde op dat van dieren. De sterke positie van de Boerenbond en andere land­bouworganisaties heeft daar zeker toe bijgedragen. Het is nog steeds zo dat als de federale overheid een maatregel ter verbetering van het dierenwelzijn wil uitvaardigen en die maatregel zijn weerslag op de landbouwsector heeft, zij daarvoor het akkoord moet krijgen van de gewestelijke landbouwdiensten. En dat gaat doorgaans gepaard met tijd­ rovende procedures.’

... maar het kan beter!

Klokkenluider?

‘Maar de situatie ligt heel wat moeilijker en complexer als het gaat om maatregelen die een weerslag hebben op de landbouwsector. Op dat vlak scoort België gemiddeld. Wij zijn geen voortrekkers zoals het Verenigd Koninkrijk en de Scandinavische landen – historisch gezien leunen wij meer aan bij het zuiden van Europa dat minder diervriendelijk is dan de noordelijke landen – maar het is ook niet zo dat wij achterblijven. Dat wij, wat

‘Eigenlijk is dierenwelzijn vooral een politiek en maatschappelijk thema meer dan een exacte wetenschap,’ gaat Eric verder. ‘Juist dat politiek-maatschappelijke aspect kruidt mijn job.’ Gevraagd naar de maatschappelijke verantwoordelijkheid die dierenartsen heb­ben om wantoestanden te rappor­ teren, stelt Van Tilburgh dat die signaalfunctie vaak voor dilemma’s blijkt te zorgen. ‘De dierenarts is enerzijds toe-

zichthouder op het welzijn van dieren, anderzijds heeft hij oog voor de econo­ mische belangen van zijn klant. Niet verwonderlijk dus dat dierenartsen het vaak moeilijk hebben om wantoestanden aan te klagen als het om hun eigen klanten gaat. Het afwegen van economische versus ethische belangen is een individuele zaak van elke dierenarts. In 1997 werden dierenartsen verplicht om wettelijk toezicht te houden op honden- en kattenkwekerijen, kennels, pensions enzovoort. Tot nu toe zijn echter weinig signalen van dierenartsen uitgegaan. Let wel, het kan uiteraard zijn dat het overlegmodel effectief werkt en dat de dierenarts zijn klant inderdaad weet te overtuigen van noodzakelijke maatregelen. In tegenstelling tot het Verenigd Koninkrijk waar dierenartsen moeten beloven altijd het welzijn van de dieren na te streven – vergelijkbaar met de Eed van Hippocrates die artsen moeten afleggen – bestaat in ons land niet een traditie van ethische discussies omtrent dierenwelzijnsvragen als het couperen van oren of blokstaarten. Nochtans zijn er heel wat individuele dierenartsen die al jarenlang pleiten voor een dergelijk verbod. Gelukkig besteedt de Orde van Dierenartsen steeds meer aandacht aan de situatie van dieren. Maar misschien

moet zij daarmee wat meer naar buiten treden. De vervrouwelijking van het beroep draagt wellicht in grote mate bij aan het ontstaan van een generatie dierenartsen die meer dan vroeger oog heeft voor het welzijn van dieren.’

“Er gaat wellicht veel talent verloren” Onterecht ambtenaarsstigma

‘Toen ik afstudeerde riep de decaan van onze faculteit op om de platgetreden paden te verlaten en onze horizon te verruimen. Dat de opleiding automatisch moet resulteren in een diergeneeskundige praktijk is een achterhaalde opvatting waardoor wellicht veel talent ver­ loren gaat. Ook als ambtenaar of als verantwoordelijke van een asiel kun je immers perfect je kennis als dierenarts gebruiken én tegelijk zorg dragen voor de gezondheid en het welzijn van dieren. Op de afdeling ‘Dierenwelzijn’ hebben wij 7 dierenartsen in dienst en in het veld leveren nog eens 16 dierenartsen uitstekend werk. De ambtenarij is allang de grijze stofjas ontgroeid. We werken met een dynamisch team en moderne managementtools. Wij plannen en evalueren, voeren functioneringsgesprekken en stellen jaarlijks doelstellingen voorop (boord­ tabellen) waarop we regelmatig worden getoetst. Onze externe communicatie kan ongetwijfeld beter maar dat is een probleem van alle overheidsdiensten. Als wij beter zouden communiceren zouden de mensen zich kunnen realiseren dat hun belastinggeld goed besteed wordt.’

“De ambtenarij is de grijze stofjas ontgroeid” Wat maakt zijn job zo boeiend, willen we graag van Eric weten. ‘Het is telkens opnieuw een uitdaging om het overleg met de verschillende belangengroepen dusdanig te voeren dat het resulteert in een wetgeving die door alle betrokken partijen gedragen wordt. Neem nu de castratie van varkens; ook de landbouwers willen daar eigenlijk vanaf maar toch blijkt het ontzettend moeilijk om tot een consensus te komen. En kijk,een wettekst ligt voor bij onze minister! Soms zijn er materies die zo gevoelig liggen dat een consensus onwaarschijnlijk is – zoals het rituele slachten – en dan rest er niets anders dan de kwestie over te geven aan de politiek. Dat ik dankzij mijn opleiding kan bijdragen aan een beter dierenwelzijn, vind ik geweldig; dat daarbij veel overlegd, gediscussieerd en verzoend moet worden vooraleer een compromis wordt gevonden, maakt deze job alleen maar interessanter,’ besluit Eric Van Tilburgh. 1 Einddoel is een princiepsverklaring om een eind te stellen stapsgewijs aan de onverdoofde castratie, respectievelijk castratie van de biggen tout court. 2 Het koninklijk besluit ligt ter ondertekening bij de bevoegde minister.

© Jan (Jan De Graeve)

Tekst : Gerda Baeyens

Psychofarmaca bij gezelschapsdieren  – Praktisch Korte toelichting bij Tiny De Keuster – Specialist Gedrag gezelschapsdieren :

Tiny de Keuster studeerde af in 1982 aan UGent. Ze startte een gezelschapsdierenpraktijk in Lovendegem en werd in 1996 lid van de werkgroep ‘Gedrag’ binnen de VDWE (Vlaamse Diergeneeskundige Werkgroep Ethologie)’. In 2001 behaalde ze het diploma ‘vétérinaire comportementaliste diplômée des Ecoles Nationales Vétérinaires de France’. Sinds 1998 is Tiny werkzaam in de preventie van bijtongevallen met honden. In 2000 was zij medeorganisator van het symposium “Agressie bij honden – een multidisciplinaire aanpak”. Van 2000 tot 2001 was Tiny coördinator van de werkgroep Volksgezondheid ; van 2001 tot 2003 werkte ze als wetenschappelijk adviseur in een prospectieve studie naar de omstandigheden van bijtongevallen bij kinderen  . In 2004 startte Tiny ‘de Blauwe Hond’, een preventieproject bedoeld om gezinnen met jonge kinderen veiliger te leren omgaan met hun hond  . Vanaf 2005 fungeerde Tiny als wetenschappelijk medewerker van professor Kerstin Meints, departement Kinderpsychologie Lincoln University (UK) voor wat betreft het onderzoek naar de efficiëntie van de BlauweHond-cd  . Sinds 2002 was Tiny ‘secretary’ van de European Society voor Gedrag (ESVCEO); in 2009 werd ze ‘president’ van deze organisatie. In 2005 werd zij ‘diplomate’ van de European College of Veterinary Behavioural Medicine. En in 2008 werd ze benoemd tot professor aan de Universiteit van Lincoln, Faculty of Health, Life and Social Sciences. Daarnaast is Tiny De Keuster medeauteur van diverse werken zoals de BSAVA Manual van Canine en Feline en Behavioural Medicine  , evenals de recent verschenen Encyclopedia of Applied Animal behaviour and Welfare  . 1

Psychofarmaca in de diergeneeskunde Psychofarmaca dienen te worden gezien in het kader van een diergeneeskundig onderzoek, een diagnose en een behandelingsstrategie. Ondanks dit herkenbaar ‘dier­ geneeskundig’ kader blijkt in de praktijk vaak onduidelijkheid te bestaan over het gebruik en het voorschrijf­ gedrag omtrent psychofarmaca. In deze tekst zullen we proberen in te gaan op prak­ tische vragen zoals : ‘Wat is een gedragsonderzoek?, Wat zijn de verschillen met een diergeneeskundig routine­ onderzoek?, Waarom psychofarmaca?, Welke psychofarmaca voorschrijven?, Welke gevaren zijn er verbonden aan psychofarmaca?, Moet er altijd een gedragsonderzoek plaatsvinden?’ Daarnaast vindt u ook het antwoord op vragen die eigenaars reflecteren, zoals : ‘Werken psychofarmaca verslavend?, Verminderen ze de levensduur van mijn dier?’ Of ‘Wordt mijn dier een zombie?’ En ten slotte komen ook vragen aan bod als ‘Hoe ga ik om met suggesties van gedragstherapeuten die benadrukken dat deze hond/kat medicatie nodig heeft om getraind te worden?’.

1. Wat is een gedragsonderzoek ? Klinisch onderzoek (routine) Gedragsonderzoek ·· Inventarisatie : wat is het probleem, wanneer, waar, hoe vaak, impact van het probleem op de omgeving/het gezin? ·· Kritische evaluatie van “het probleem” : is echt sprake van een gedragsprobleem of hebben we te maken met normaal gedrag dat als een probleem wordt ervaren door de eigenaars? (bv. putten graven = normaal gedrag; hond die konijn doodt = normaal gedrag) ·· Verder onderzoek : wat zijn de uitlokkende prikkels, onderhoudende prik­kels, gedragsmechanismen van het dier, reactiepatronen eigenaars, risicocontexten en mogelijk­ heden om aan preventie te doen? ·· Diagnose : wat is de motivatie van het dier om dit gedrag te vertonen? Wat zijn de gevolgen van het gedrag voor het dier zelf? Wat zijn de gevolgen voor de omgeving? ·· Therapie : Cognitief : De eigenaar informeren omtrent de betekenis van de gedragingen van het dier; rekening houdend met ‘visie’, inzichten, mogelijkheden (financieel, intellectueel, sociaal,...). Gedragstherapie ·· Beperken probleemgedrag : voorkomen situaties, interacties, prikkels ·· Aanleren nieuw gedrag ·· Implementeren van de behandeling : begeleiding van de eigenaar bij de gedragstherapie – bespreken/op maat snijden van de gedragstherapie voor dit dier in dit gezin en deze context (bv. bij toepassen van preventiemaatregelen : hoeveel tijd heeft ieder gezinslid, wanneer, welke oefeningen, hoe wordt het opgevolgd?) Psychofarmaca

2

3

4

5

6

Mogelijke redenen om psychofarmaca voor te schrijven zijn : 1. Het “mogelijk maken” van gedragstherapie, het doorbreken van de vicieuze cirkel bij emotionele stoornissen (bv. angst), bij compulsieve stoornissen (bv. likgranuloma) 2. Het “ondersteunen” van de gedragstherapie (bv. aanleren autocontroles, verminderen van reactiviteit) 3. het “punctueel” beïnvloeden van blootstelling aan onvermijdelijke prikkels? ( bv. dieren die in paniek raken bij vuurwerk, transport)

2. Wat zijn de verschillen met een dier­g eneeskundig ‘routine’onderzoek? Als dierenarts zijn we getraind om te luisteren naar eigenaars die de klachten van hun dier op medisch vlak beschrijven. Tijdens een routineconsultatie ‘beschrijven’ eigenaars medische symptomen betreffende het dier (‘mijn hond hoest al twee weken’). Deze symptomen vormen de leidraad van het verder klinisch onderzoek. Tijdens het onderzoek kan aan de eigenaar bijkomende info worden gevraagd zodat de omstandigheden van de symptomen duidelijk worden en een verband kan worden gelegd met de bevindingen. Waar medische klachten (doorgaans) enkel betrekking hebben op het dier zelf, hebben gedragsproblemen (doorgaans) te maken met klachten van het dier als­ ook het effect van die klachten op de omgeving. Op die manier krijgt de dierenarts bij een gedragsprobleem niet

enkel informatie over de gedragingen van het dier, maar vaak ook emotioneel geladen randinformatie over de mens-dierrelatie. Voorbeeld : de hond ligt op de zetel te slapen en het driejarig dochtertje wil hem strelen. De hond heft zijn kop op en hapt het kind in de bovenlip. De versies die je als dierenarts van het “probleem” te horen krijgt, kunnen gaan van : ( beschrijving) ‘mijn hond heeft gisteren ons dochtertje gebeten’ (interpretatie) ‘onze hond is erg bazig over ons dochtertje en gisteren wilde hij zijn dominantie bewijzen door te bijten’ (emotie) ‘ik snap niet waarom onze hond gisteren ons dochtertje in haar lip heeft gebeten, hij is anders zo lief; ik denk dat onze dochter hem geplaagd had, trouwens onze dochter heeft ADHD’ (gevolgen) ‘wij hebben op tv gezien dat er pillen bestaan om agressief gedrag tegen te gaan en we zouden graag een voorschrift hebben want hij begint serieus dominant te worden’ Wanneer je als dierenarts geconfronteerd wordt met klachten over gedrag en/of vragen naar psychofarmaca, is het belangrijk om de informatie die door de eigenaar wordt gecommuniceerd te herleiden tot een kader waarin de anamnese als het ware ‘gezuiverd’ wordt van interpretatie en ballast. Door gedragsproblemen te benaderen zoals een medisch probleem, kan de dierenarts het zichzelf mak­kelijk(er) maken om het probleem te kaderen en

keuzes te maken omtrent het al dan niet doorsturen van het dier alsook het al dan niet gebruikmaken van psychofarmaca. In tegenstelling tot de mythe dat gedrag iets is voor mensen met speciale talenten, berust het bevragen van eigenaars over het gedrag van hun dier op counselingtechnieken; deze kunnen worden aangeleerd 5,6 evenals het scheppen van een duidelijk kader.

3. Waarom psychofarmaca? Psychofarmaca hebben de eigenschap “de motivatie van een dier om een bepaald gedrag te vertonen” specifiek te gaan beïnvloeden. Als je dit effect bekijkt in het licht van een geschikte gedragtherapie, kunnen psychofarmaca een cruciale en vaak beslissende rol spelen in de behandeling van een gedragsprobleem. In het bestcase­scenario zal het gebruik van psychofarmaca zelfs tot volledig herstel van het dier leiden en zal het dier opnieuw in staat zijn fysiologisch aangepast gedrag te vertonen. Het spreekt echter vanzelf dat in gevallen waar gedragswijzigingen ‘enkel’ berusten op het gebruik van medicatie en de oorzaak van het probleem niet werd aangepakt, dit snel zullen leiden tot recidive van het probleem 9. Omdat het gebruik van een pilletje voor het gedrag of de ‘quick fix’ aanlokkelijk kan lijken voor de eigenaars en hierover zeker vragen komen, is het belangrijk om als dierenarts hierover duidelijkheid aan de klant te verschaffen.

5. Wat kan wel en wat kan absoluut niet worden voorgeschreven? Wet op de geneesmiddelen van 25 maart 1964, KB 14 december 2006 betreffende de geneesmiddelen voor humaan een dierengeneeskundig gebruik : in principe mogen enkel geneesmiddelen worden voorgeschreven die voor een bepaald doeldier en een bepaalde indicatie werden vergund. Diergeneeskundige psychofarmaca

·· ·· ·· ·· ··

ogen voorgeschreven worden bij specifieke aandoe­ M ningen, waarvan je een eerstelijns gedragsdiagnose kunt stellen, een behandelingsplan kunt uitwerken en een gedragstherapie kunt opstarten. MAOI A – Selgian (geregistreerd voor oude hond met cognitieve disfunctie) 10 SNRI – Clomicalm (geregistreerd voor scheidingsangst, compulsief gedrag hond; kat sproeien met urine) 11 Let op contraindicaties : SNRI niet bij oude dieren/dieren met hartproblemen; mictieproblemen (anticholinergisch effect) Geen combinaties SNRI en MAOI A ! Clomipramine mens : gevaar wanneer accidenteel opgenomen door kind! Humaan 2mg/kg dosis die spoed vereist (antigifcentrum 070-245245)

Psychofarmaca worden doorgaans oraal verschaft. Men onderscheidt twee belangrijke categorieën : A. Medicatie voor langdurig gebruik/de indicaties zijn het ondersteunen van een gedragstherapie bv. bij dieren die lijden aan een emotionele stoornis (angst, fobie, paniekstoornis); het behandelen van een specifieke uiting van een emotionele stoornis zoals compulsief gedrag ( likgranumloma). Bij dieren die aan een gedragsstoornis lijden is de slaagkans van de gedragstherapie beduidend groter als zij daarnaast geholpen worden met psycho­farmaca. Psychofarmaca worden ook gebruikt als ondersteuning bij specifieke doelstellingen zoals het aanleren van autocontrole of het verminderen van reactiviteit. B. Medicatie voor kortstondig/punctueel gebruik Psychofarmaca kunnen ook worden aangewend om het gedrag van een dier op specifieke momenten te beïnvloeden. Hierbij gaat het om beïnvloeding van de blootstelling aan onvermijdelijke prikkels. Het gebruik is zuiver punctueel (gebonden aan een momentopname) bv. het preventief toedienen van medicatie aan dieren die paniek vertonen bij vuurwerk of transport.

Het aanbod van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik is in de praktijk niet altijd toereikend. De dierenarts kan in dat geval eventueel gebruikmaken van het cascadesysteem. Deze voorwaarden werden opgenomen in het KB van 14 december 2006 art. 230-231. Humane psychopharmaca tweedelijns worden SNRI zoals Imipramine (Tofranil) en Amitryptiline (Redo­ mex) evenals SSRI’S zoals Sertraline (Serlain), Fluvoxamine (Floxyfral) en Fluoxetine (Prozac) gebruikt.

Wat kan niet worden voorgeschreven/gebruikt ?

Methylphenidate (Rilatine) Bij honden wordt het gebruik van methylphenidate beschreven bij gedragsdiagnose ‘hyperactiviteit’ (Crowel-Davis, 2006). Deze auteur ziet punctueel gebruik als ondersteuning van een aangepaste gedragstherapie. Chronische administratie van methylphenidate bij honden leidt echter tot afhankelijkheid! Humaan wordt dit product gebruikt ter behandeling van ADHD en narcolepsie (Novartis Pharmaceuticals comp 2003). Naast de therapeutische doelen wordt Rilatine humaan vooral gekoppeld aan misbruik en verslaving.  12,13 Ter info : misbruik van Rilatine – de Belgische druglijn : http ://www.druglijn.be/info_drugs/veelgevraagd/ rilatine.html

Hond met automutilatie secundair aan pijn (arthrose).

4. Welke criteria moet de dierenarts respecteren bij het voorschrijven van een bepaald psychofarmacon? 1. Diersoort en signalement? 2. Wat is de diagnose? 3. Is het medicament van je keuze aangewezen voor deze diersoort, signalement en diagnose? 4. Hoe vertrouwd ben je met het gebruik van dit medicament? 5. Welke peer reviewed studies zijn er gepubliceerd omtrent het effect van dit medicament voor deze specifieke diagnose bij dieren? 6. Wat zijn de te verwachten neveneffecten en inter­ acties met andere geneesmiddelen voor dierengenees­ kundig gebruik? 7. Wat is de gezondheidstoestand van de patiënt? Zijn er klinische redenen die een contraindicatie voor dit medicament vormen? 8. Hoe zwaar weegt de kost van het medicament voor de eigenaar (therapietrouw). Wat is de kostprijs van de medicatie? 9. Welke andere medicatie werd reeds bij dit dier gebruikt in verband met het huidige probleem? Wat waren de resultaten? 10. Op welke manier kan de eigenaar de medicatie aan het dier toedienen?

Humane psychopharmaca

Kat met automutilatie ten gevolge van emotionele stoornis.

Feromonen (zijn geen geneesmiddel) Minder ingrijpend/hoeven niet oraal te worden ingenomen/behandeling van de omgeving, geen gekende contraindicaties. Nuttig h cruciaal (op voorwaarde dat er een correcte diagnose is) ·· Feromonen kat : Feliway, Felifriend – hond : DAPspray, halsband ·· Complementaire therapie ·· Voedingssuplementen (Telizen/L-Theanine, Zylkene/ alpha-Cazozepine, L-Tryptofaan enz.

Antipsychotica Blokkeren de actie van dopamine, maar hebben ook andere effecten zoals antihistamine-effecten, blok­ kering alfa-adrenerge receptor, muscarine-cholinerge receptoren. Antipsychotica (bv. ACP 14) worden onterecht gebruikt als ‘monotherapie’ bij schrikreacties of bij emotionele stoornissen die gepaard gaan met angst en agressie. Eigenlijk reduceren de antipsychotica vooral de motorische activiteit en verminderen ze de emotionele respons; m.a.w. deze dieren beleven alles nog maar ze reageren niet meer door onderdrukking van de motoriek. Volgens Crowel-Davis, is dit enkel geschikt als complement bij het starten van een behandeling bij paniekstoornissen wanneer de dieren reeds behandeld worden met angstremmende medicatie, maar waar de paniekreacties dermate ernstig zijn dat ze zichzelf zouden kunnen verwonden. Ook hier enkel kortstondig en weloverwogen te gebruiken.

6. Hoe ga je praktisch te werk? Keuze Welk psychofarmacon? Welke scheikundige groep? Voorstel : ATC vermelden cfr. repertorium BCFI SSRI 15 SNRI 16 Azapirones Benzodiazepines MAO inhibitoren Antipsychotica

Fluoxetine, fluvoxamine, sertraline Clomipramine, Amitryptiline Buspirone Alprazolam, Clonazepam, diazepam, Lorazepam,... Selegiline Acepromazine

Effect ·· Wat zijn de beoogde effecten? Zijn deze compatibel met de gedragstherapie bij dit dier? ·· Wanneer treden de effecten op : na 1 dag – 1 week – 1 maand? Neveneffecten ·· Wat zijn de te verwachten neveneffecten? Verwardheid – droge mond – slaperigheid? ·· Wanneer zijn ze te verwachten : na 1 dag – 1 week – 1 maand?

Immers de kinetiek, metabolisatie, effecten en neven­ effecten en contra-indicaties van een bepaald psycho­ farmacon kunnen sterk verschillen naargelang de diersoort. Voorbeeld 1  : clomipramine (Clomicalm, Novartis)

Hond : Clomipramine-indicatie : scheidingsangst, geluids­­fobie. De dosering voor de hond bedraagt 2 - 4 mg/kg q24h Kat : Comipramine-indicatie : urine sproeien, angst­ gedrag. De dosering voor de kat is echter beduidend lager : 0,25 - 0,5 mg/kg/24 h Kijken we naar een andere diersoort… de mens. Bij de mens wordt een dosis clomipramine van 2 mg/kg beschouwd als een kritische dosis (overdosering) en is het aangewezen de patiënt met spoed naar het ziekenhuis te brengen voor verzorging.

Voorbeeld 2  : selegiline (Selgian, Ceva)

Hond : 0,5 mg/kg Kat : 1 mg/kg Soms verschillen doseringen ook nog per continent! Kat : UK 1 mg/kg – kat US : 0,5mg/kg

Overdosering ·· Gevaar voor kinderen ·· Misbruik door de eigenaar

VR AGEN UIT DE PR AK TIJK

Dokter, kan hij een kalmeringspilletje hebben voor de show? Belangrijk is om na te gaan in hoeverre het voorschrijven strookt met de context. Bv. neemt de hond en/of kat deel aan een competitie, schoonheidswedstrijd? Reglementeringen hieromtrent kunnen verschillen naargelang land en aard van de tentoonstelling, dus best informatie inwinnen in hoeverre dieren die in behandeling zijn met psychofarmaca, ‘mogen’ deelnemen. Ook bij punctueel gebruik (bv. anxiolytica voor vuurwerkangst) is het cruciaal in te schatten of het gebruik strookt met de activiteiten van het dier op dat moment. Denk maar aan Canicross, Agility enzovoort. ( zie ook neveneffecten) Mijn hond is drachtig; mag hij de psychofarmaca blijven innemen? Gezien de literatuur vermeldt dat psychofarmaca steeds de placenta barrière passeren en bij lacterende teven kunnen terechtkomen in de melk, is het tegenaangewezen om psychofarmaca toe te dienen of voor te schrijven aan drachtige en/of lacterende dieren.

Honden die paniekreacties vertonen bij onweer of vuurwerk kunnen hierbij zichzelf alsook de omgeving schade berokkenen.

Dokter, hoe gaat mijn hond nu reageren? Alvorens medicatie voor te schrijven is het goed te proberen omschrijven wat je van het medicament bij dit dier verwacht en check in hoeverre je hiervoor op ervaring (van jezelf of collega’s) kunt terugvallen. Immers, als je de eigenaars goed weet uit te leggen wat de te verwachten reactie van het psychofarmacon op het gedrag van hun dier is, hoe lang het duurt vooraleer ze een effect zullen zien en hoe ze daarmee moeten omgaan, draagt dit bij aan de vertrouwensrelatie met de eigenaars en respect voor je kunde. Omgekeerd zal het geven van foute of onvolledige informatie het vertrouwen van de eigenaar in je kunde beschadigen. Voorbeeld : “als uw hond de tabletjes (anxiolytica) inneemt zal hij tijdens het vuurwerk op oudejaarsavond rustig zijn”. Honden die anxiolytica innemen zijn inderdaad soms rustig maar nog maar vaker onrustig. Wanneer je vergeet eigenaars op voorhand in te licht over de werking en de effecten van het product, zullen eigenaars zich (mogelijks) vragen stellen over je kennis. Mag ik die ook aan mijn kat geven? Bij het voorschrijven/gebruiken van een psychofarmacon dient rekening te worden gehouden met de diersoort.

Het voorschrijven van humane psychofarma in de diergeneeskunde valt onder de persoonlijke verantwoordelijkheid van de voorschrijvende dierenarts.

Nog andere actoren om rekening mee te houden zijn de diersoort, leeftijd, gezondheid, -functie, gedragsprobleem. (Zie ook BSAVA manual met een duidelijke lijst van doseringen hond kat.)

n

Wordt mijn dier een zombie met deze pillen? Het doel van psychofarmaca is dieren te helpen bij het aanleren van nieuw gedrag. Middelen die als effect/ neveneffect ‘sedatie’ hebben zijn daarom niet geschikt in de gedragstherapie. Een veel voorkomend voorbeeld zijn de antipsychotica (bv. ACP). Werken psychofarmaca verslavend? De psychofarmaca die geïndiceerd zijn voor langdurig gebruik (SSRI, SNRI, MAO-B) werken niet verslavend? Wel is het zo dat de medicatie na langdurige inname moet worden afgebouwd met een afbouwschema 8,9. Hierover bestaat voldoende literatuur. Psychofarmaca die bedoeld zijn voor punctuele toediening (anxiolytica, bv. alprazolam, diazepam) kunnen bij langdurig gebruik tot verslaving leiden 8,9. Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat eigenaars de voorschriften misbruiken 17. Verminderen ze de levensduur van mijn dier? Tot op heden zijn er geen studies die aantonen dat psychofarmaca het leven van een dier inkorten. Integendeel, dieren die ernstige gedragsproblemen vertonen maken meer kans in een asiel gedumpt te worden of te worden geëuthanaseerd. In die zin kan het toedienen van psychofarmaca in combinatie met een gerichte gedrags­ therapie levensreddend zijn voor een dier. Hoe ga ik om met suggesties van gedragstherapeuten die benadrukken dat deze hond/kat medicatie nodig heeft om getraind te worden? Als je als dierenarts van een hondentrimmer de vraag krijgt om aan een hond atopica (cyclosporines) voor te schrijven,... is dat eigenlijk een identiek geval (zij het op het vlak van dermatologie). Wanneer een dierenarts medicatie voorschrijft op advies van een trimmer, een fokker, een trainer..., zonder dat deze behandeling deel uitmaakt van de diergeneeskundige

zorgen van de dierenarts aan de patiënt, strookt dit niet met de beroepsethiek noch met de beroepsverantwoordelijkheid. Een welwillendheidsvoorschrift kan misbruikt worden (bv. methadon-misbruik) of beschouwd worden als aanzetten tot of meewerken aan onwettige uitoefening van de diergeneeskunde. Het cruciale verschil tussen het voorbeeld van de fluvoxamine en de atopica is dat in geval van gedragsproblemen het ‘probleem’ verder kan gaan dan bv. enkel de huid of het hart van de hond; het kan bv. gaan over een met volwassenen of kinderen. Het voorschrijven van psychofarmaca zonder rechtstreeks betrokken te zijn bij de behandeling van het dier, kan eigenlijk enkel in de setting van collegiale samenspraak tussen de tweedelijns dierenarts en de doorsturende eerstelijns dierenarts; waarbij afspraken gemaakt kunnen worden dat wanneer patiënt X na een maand een nieuw voorschrift nodig heeft van medicament Y, dit mag en verlengd kan worden tot een afgesproken tijdstip. Ook hier hangt de correcte werkwijze grotendeels af van een goede communicatie tussen collega’s; doorgaans zijn er op dit vlak echter geen problemen.

Psychofarmaca en bijtongevallen

Vandaag de dag moet iedere dierenarts die bij een bijtongeval wordt geroepen zelf beslissen in hoeverre hij/zij zich bekwaam acht hierover een uitspraak te doen. Eigenlijk verschilt dit niet van de andere takken van de diergeneeskunde. Als een dierenarts een patiënt met ademhalingsproblemen of acute nekpijn op consultatie krijgt en hij/zij beschikt niet over voldoende kennis/ middelen om de patiënt te onderzoeken en een etiologische diagnose te stellen, is de logische vervolgstap dat de

patiënt wordt doorgestuurd naar een tweedelijns dierenarts die wel verdere onderzoeken kan doen. Zo is het ook met gedrag, gedragsproblemen en zeer zeker met bijtongevallen. Het grote onderscheid bij gedrag en meer specifiek bijtongevallen, is dat je niet enkel te maken hebt met het dier, maar ook met het slachtoffer, met de kans op her­ haling van de feiten en de kans op lichamelijke schade. Daarom is het voor de dierenarts die medicatie voorschrijft aan dieren met een verhaal van agressie, belangrijk om de juiste keuzes te maken en het geval te onderwerpen aan een grondige gedragsscreening. Daarnaast is het cruciaal te checken of de voorgeschreven medicatie strookt met de gedragstherapie en nog belangrijker, om te dubbelchecken of de medicatie geen ongewenste neveneffecten heeft die de agressie kunnen doen toe­ nemen in plaats van afnemen (bv. anxiolytica, benzodiazepines).

3 De Keuster T, Moons C & De Cock I (2005) Dog bite prevention – How a Blue dog can help. EJCAP Vol 15; 2 : 137-139 4 Meints K. & De Keuster T. (2009) Brief report : Don’t kiss a sleeping dog : the first assessment of “the blue dog” bite prevention program. J Pediatr Psychol 2009 Nov-Dec; 34(10) :1084-90. Epub 2009 Jul 3 5 De Keuster Tiny & Jung Hildegard (2009) Aggression toward familiar people and animals. In : BSAVA Manual Canine and feline Behavioural medicine, second edition 2009, Edited By D. Horwitz & D Mills, ISBN 978 1 905319 15 2 6 De Keuster Tiny (2010) Bite Prevention Programmes. In : The Encyclopedia of Applied Animal Behaviour and Welfare. Ed D. Mills, CABI, ISBN978 0 85199 7247 7 Miller & Rollnick (2002) Motivational Interviewing : preparing people for change. Second Edition, The Guilford Press 8 Veterinary Psychopharmacology, by Sharon Crowell-Davis & T. Murray, first edition 2006, Blackwell publishing, ISBN 978 0 8138 0829 1 9 Pharmacology and pheromone therapy. Sharon Crowel Davis and Gary Landsberg (2009) In : BSAVA Manual Canine and Feline Behavioural medicine, second edition 2009, Edited By D. Horwitz & D Mills, ISBN 978 1 905319 15 2 10 MAOI = Mono Amine Ocidose Inhibitoren 11 SNRI = Serotine Noradrinaline Reuptake Inhibitor

Het blijft een middelenverbintenis en geen resultaatsverbintenis. De hamvraag met betrekking tot het gebruik van humane geneesmiddelen in de diergeneeskunde (watervalsysteem) is de restrictieve bepaling (art. 230-231 KB 14.12.2006) dat dit gebeurt onder de persoonlijke verantwoordelijkheid van de voorschrijvende dierenarts.

12 Kollins SH (2008) A qualitative review of issues arising in the use of psycho-stimulant medications in patients with ADHD and co-morbid substance use disorders. Curr Med Res Opin. 2008 May;24(5) :1345-57. Epub 2008 Apr 1 13 Paslakis G, Kiefer F, Diehl A, Alm B, Sobanski E. (2010) Methylphenidate. Therapy option for adults with ADHD and comorbid substance use disorder? Nervenarzt. 2010 Mar;81(3) :277-88 14 ACP = Acepromozine 15 BSAVA = ???

1 De Keuster Tiny (2001) De Problematiek rond Hondenagressie. In Mensen en andere dieren, hun onderlinge relaties meervoudig bekeken : Red Geertrui Cazaux, ISBN 90 441 1071 3 2 De Keuster T, Lamoureux J, Kahn A (2006) Epidemiology of dog bites : A Belgian experience of canine behaviour and public health concerns. TVJ 172 482-487

16 ? ? ? 17 Pradel V, Delga C, Rouby F, Micallef J, Lapeyre-Mestre M. (2010 Assessment of abuse potential of benzodiazepines from a prescription database using ‘doctor shopping’ as an indicator. CNS Drugs. 2010 Jul 1;24(7) :611-20.

HERFSTAANBIEDING - Boekhandel J. Story-Scientia LANCEERPRIJZEN GELDIG TOT 31 DECEMBER 2010 BSAVA MANUAL OF CANINE AND FELINE ONCOLOGY By Duncan Lascelles & Jane M. Dobson 9781905319213 · 300 P. · 01/2011

PRIJS: € 114,75 LANCEERPRIJS: € 99,00

EQUINE DERMATOLOGY By Danny W. Scott 9781437709209 · 552 P. · 01/2011

PRIJS: € 147,15 LANCEERPRIJS: € 125,00

BESTELLEN: [email protected] T 0800/10280 F 0800/20280 St-Kwintensberg 87 9000 Gent ATLAS OF NORMAL RADIOGRAPHIC ANATOMY AND ANATOMIC VARIANTS IN THE DOG AND CAT By Donald E. Thrall & Ian D. Robertson 9781437701784 · 224 P. · 01/2011

PRIJS: € 187,65 LANCEERPRIJS: € 165,00

BSAVA MANUAL OF SURGICAL PRINCIPLES

CLINICAL VETERINARY ADVISOR: THE HORSE

PHYSICAL THERAPY AND MASSAGE FOR THE DOG

By Stephen Baines et al. 9781905319251 · 252 P. · 03/2011

By David Wilson 9781416099796 · 960 P. · 01/2011

By Julia Robertson & Andy Mead 9781840761443 · 192 P. · 03/2011

PRIJS: € 101,25 LANCEERPRIJS: € 86,00

PRIJS: € 103,94 LANCEERPRIJS: € 91,00

PRIJS: € 33,68 LANCEERPRIJS: € 30,00

FISCALITEIT

Beroepsopleiding in het buitenland of gesponsorde Snoepreizen? Fiscus legt misbruik aan banden. Inleiding Dat de farmaceutische industrie het voorschrijfgedrag van dokters, dierenartsen, apothekers en andere zorgverstrekkers tracht te beïnvloeden, is een oud zeer. De wetgever heeft al meermaals geprobeerd hieraan paal en perk te stellen. Met de Geneesmiddelenwet van 25 maart 1964 (B.S. 17 april 1964) verbood de wetgever formeel om farmaceutische firma’s rechtstreeks of onrechtstreeks premies of voordelen toe te kennen aan beroepsbeoefenaars uit de gezondheidssector, m.a.w aan de “zorgverstrekkers”. Hieronder wordt verstaan: personen die werkzaam zijn in de medische en de farmaceutische sector en die geneeskunde, tandheelkunde, artsenijbereidkunde, verpleegkunde, paramedische wetenschappen of dier­ geneeskunde beoefenen. Gezien de doelgroep van dit blad wordt in deze uiteenzetting onder “zorgverstrekker” “dierenarts” Bedoeld. Ondanks dit wettelijke ingrijpen bleef de farmaceutische sector een vorm van ‘geschenkcultuur’ handhaven. Regelmatig werd misbruik vastgesteld onder de vorm van voordelen die de farmaindustrie toekent met de bedoeling het voorschrijfgedrag van zorgverstrekkers te beïnvloeden. Zo kregen deze laatsten regelmatig geschenken (lees: snoepreisjes) aangeboden die als deelname aan buitenlandse congressen werden verpakt. Met de Wet van 16 december 2004 tot wijziging van de regelgeving betreffende het bestrijden van uitwassen omtrent het promoten van geneesmiddelen (B.S. 23 februari 2005) ging de wetgever nog een stuk verder. Het gewijzigde artikel 10 van de Geneesmiddelenwet legde voortaan uitdrukkelijk het verbod op om, in het kader van het leveren, voorschrijven, afleveren of toedienen van geneesmiddelen of medische hulpmiddelen en hulpstukken, rechtstreeks of onrechtstreeks, premies of voordelen in geld of natura in het vooruitzicht te stellen, aan te bieden of toe te kennen aan groothandelaars, personen die geneesmiddelen mogen voorschrijven, afleveren of toedienen, alsook aan instellingen waar het voorschrijven, afleveren of toedienen van geneesmiddelen plaatsvindt. Op dit algemeen verbod werden een aantal uitzonderingen toegestaan. Het verbod geldt onder andere niet bij tussenkomst in de deelnamekosten van zorgverstrekkers aan wetenschappelijke manifestaties die strikt aan welbepaalde criteria voldoen. Voor wetenschappelijke manifestaties met minstens één overnachting, moet sedert 31 december 2006 voorafgaandelijk een visum worden aangevraagd bij de minister van Volksgezondheid of zijn afgevaardigde. Pas als het aangevraagde visum wordt verkregen, is tussenkomst in de deelnamekosten mogelijk. Is er geen visum, dan mogen farma­ bedrijven volgens artikel 10 van de Geneesmiddelenwet niet tussenkomen in de kosten. Dit geldt zowel voor binnenlandse als buitenlandse farmabedrijven. De toekenning van een dergelijk visum houdt onder meer in dat de manifestatie voldoet aan alle geldende voorwaarden om als ‘wetenschappelijk’ te worden beschouwd; toekenning van voordelen met een privatief karakter is derhalve uitgesloten.

Wat is een wetenschappelijke manifestatie? Wetenschappelijke manifestaties zijn informatiesessies, opleidingen, seminaries, symposia, wetenschappelijke congressen en elke wetenschappelijke bijeenkomst die in België of het buitenland georganiseerd wordt. Een wetenschappelijke manifestatie komt slechts voor sponsoring in aanmerking als zij een uitsluitend wetenschappelijk karakter heeft, als de aangeboden gastvrijheid strikt beperkt wordt tot het wetenschappelijk doel van de manifestatie en als plaats, datum en duur geen verwarring scheppen omtrent het wetenschappelijk karakter van de manifestatie. De tussenkomst in de deelnamekosten moet zich daarom beperken tot de officiële duur van het congres; uitbreiding tot andere personen dan de zorgverstrekker zelf is dus niet toegestaan. Voorbeeld : De tussenkomst van het farmabedrijf in de verblijfkosten van de meegereisde echtgenote van een dierenarts mag niet. Dat kan niet worden gezien als een tussenkomst in de kosten van een wetenschappelijke manifestatie.

De vzw MDEON Voor de toekenning van de betreffende visa en de opvolging van de aanvragen werd ‘vzw Mdeon’ opgericht. Vzw Mdeon is een gemeenschappelijk deontologisch

Franky Maesen, erkend boekhouder, fiscalist, kantoor Alaska Kortrijk – Ieper

platform bestaande uit verenigingen van artsen, apo­ thekers, de farmaceutische industrie en de industrie van medische hulpmiddelen. Dierenartsen worden ver­ tegenwoordigd door ‘Formavet asbl’ en ‘Union Profes­ sionnelle Vétérinaire (UPV) asbl’. Mdeon is een instelling die onder wettelijke voorwaarden door de Minister jaarlijks erkend wordt. Het is de enige instelling die erkend is visa toe te kennen voor een als ‘wetenschappelijk’ erkende manifestatie. Vzw Mdeon heeft een deontologische code opgesteld, goedgekeurd door de Minister, met daarin een verduidelijking van de geldende wettelijke criteria om als wetenschappelijke manifestatie erkend te worden. Tevens werd een procedure uitgewerkt voor farmabedrijven die een visum willen aanvragen voor het organiseren, sponsoren of ondersteunen van wetenschappelijke congressen die minstens één overnachting inhouden. Praktische richtlijnen omtrent de aanvraag­ (procedure) van een visum en de toepassing van de deontologische code zijn terug te vinden op de website van vzw Mdeon (adres: http://www.mdeon.be). In het kader van dit artikel gaan wij hier niet op in; meer info op www.fagg.be – diergeneeskundig gebruik – goed gebruik van het geneesmiddel – reclame.

Fiscale behandeling van tussenkomst in de kosten voor deelname aan wetenschappelijke manifestaties De geschenkcultuur in de farmaceutische sector is van oudsher een doorn in het oog van de fiscus. In het verleden leidde dit tot dan ook meermaals tot rechtspraak, die niet altijd eenduidig was. Daarom heeft de administratie op verzoek van de farmaceutische industrie, beslist om een pragmatische oplossing uit te werken met betrekking tot de fiscale gevolgen voor zowel de farmaindustrie als de zorgverstrekkers in geval van een gesponsorde deelname aan een wetenschappelijk congres.

Zelfstandige Zorgverstrekkers (eenmanszaak) In de administratieve circulaire nr. Ci.RH.243/589.589 van 29 mei 2008 stelde de fiscus een pragmatische oplossing voor en voorzag ze van de nodige uitleg. De circulaire beoogt enkel een tussenkomst van de farmaindustrie in de deelnamekosten van een zelfstandige – zorgverstrekkers die hun praktijk onder de vorm van een eenmanszaak uitoefenen – aan een wetenschappelijke manifestatie.

1. Fiscale principes

© Jan (Jan De Graeve)

Op fiscaal vlak zijn de kosten die door farmabedrijven worden gedragen als tussenkomst in deelnamekosten van beoefenaars van een medisch beroep aan een wetenschappelijk congres, aftrekbare beroepskosten op voor-

waarde dat voor degenen die van de tussenkomst genieten een fiche 281.50 wordt opgesteld. Voor zelfstandige zorgverstrekkers vormt de tussenkomst een belastbaar voordeel van alle aard, ontvangen in het kader van hun beroepswerkzaamheid. Als het voordeel van de tussenkomst geheel of gedeeltelijk resulteert in een vermindering van de beroepskosten van de zelfstandige zorgverstrekker, dan moet het bedrag van de tussenkomst enerzijds volledig aan diens brutoberoepsinkomen worden toegevoegd maar anderzijds mag het bedrag van het voordeel als beroepskost worden afgetrokken in de mate dat het voordeel betrekking heeft op kosten die de aard van beroepskosten zouden hebben gehad, mocht de zelfstandige zorgverstrekker ze eigenhandig hebben gemaakt. Dit houdt in dat bij tussenkomst in kosten die slechts beperkt aftrekbaar zijn, de aftrek van het gedeelte van de tussenkomst dat betrekking heeft op die beperkt aftrekbare kosten, eveneens beperkt moet worden.

komst omvat immers de terugbetaling van restaurantkosten en deze zijn slechts voor 69% als beroepskost aftrekbaar. Het gedeelte dat als tussenkomst in de maaltijdkosten beschouwd wordt, mag volgens de fiscus worden geraamd op 8% van de totale tussenkomst.

3. Het farmabedrijf komt onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, tussen in de kosten van deelname aan de wetenschappelijke manifestatie Dit is het geval wanneer de zorgverstrekker zelf aan het farmabedrijf vraagt om geheel of gedeeltelijk tussen te komen in de kostprijs van zijn deelname aan een meerdaags wetenschappelijk congres. In eerste instantie betaalt de zorgverstrekker zijn kosten zelf. Later betaalt het farmabedrijf hem, mits voorlegging van de nodige bewijsstukken, terug. De zorgverstrekker beschikt zelf over alle gegevens en bewijsstukken van de kosten die hij in het kader van zijn deelname heeft gemaakt. Ook in dit geval moet een visum worden aangevraagd bij vzw Mdeon. Het bedrag dat op fiche 281.50 vermeld staat, mag in principe zonder verder bewijs integraal als beroepskost worden afgetrokken. Aan de hand van de bewijsstukken kan de zorgverstrekker zelf bepalen welk gedeelte van de kosten effectief aftrekbaar is.

Voorbeeld : Een Belgische dierenarts ontvangt 1.000 euro als tussenkomst in de kosten voor deelname aan een tweedaags wetenschappelijk congres in Frankrijk. Een tussenkomst van 800 euro is voorzien voor kosten gemaakt in het kader van het eigenlijke congres; 200 euro is bedoeld als tussenkomst in maaltijd- of restaurantkosten. Er wordt voor een bedrag van 1.000 euro een fiche 281.50 opgesteld op naam van de dierenarts. Dit bedrag wordt integraal aan het beroepsinkomen van de dierenarts toegevoegd. Anderzijds mag de dierenarts slechts een bedrag van 938 euro aftrekken als beroepskost vermits de aftrek van restaurantkosten tot 138 euro (200 euro x 69 %) moet worden beperkt.

3. Veel gestelde vragen

2. Pragmatische fiscale benadering De zorgverstrekker kan niet altijd even gemakkelijk aantonen dat het voordeel dat hij verkregen heeft door tussenkomst in de kostprijs van een wetenschappelijke manifestatie, geheel of gedeeltelijk overeenstemt met een in zijn hoofde aftrekbare beroepskost. Tevens maakt de Geneesmiddelenwet het de farmaindustrie praktisch onmogelijk om zorgverstrekkers nog snoepreisjes of andere voordelen met een louter privaat karakter, cadeau te doen. Daarom was de fiscus in samenspraak met de farmaceutische sector en vzw Mdeon bereid om een pragmatische oplossing uit te werken wat betreft een tussenkomst in de deelnamekosten van zorgverstrekkers aan meerdaagse wetenschappelijke manifestaties waarvoor een visum werd uitgereikt. In hoofde van de farmabedrijven gelden de tussenkomsten en de ten laste genomen uitgaven, als aftrekbare beroepskosten op voorwaarde dat ze verantwoord worden op de fiches 281.50. De fiches moeten de iden­ titeit van de genieters vermelden evenals de betaalde bedragen en het visumnummer. Is er slechts een gedeeltelijke tussenkomst in de kosten van deelname aan een meerdaagse manifestatie, dan moeten ze aan elke zorgverstrekker een detail bezorgen met de aard en het bedrag van de kosten waarvoor de tussenkomst geldt. In hoofde van de zorgverstrekkers (bv. zelfstandige dierenartsen) vormt het bedrag van de tussenkomst een belastbaar voordeel van alle aard. Het bedrag moet integraal in het bruto-inkomen worden opgenomen. Anderzijds stemt de tussenkomst overeen met geheel of gedeeltelijk aftrekbare beroepskosten. Hierbij onderscheiden we drie verschillende situaties: 1. Het farmabedrijf komt rechtstreeks en volledig tussen in de kostprijs van de deelname aan de wetenschappelijke manifestatie. In dit geval nodigt het farmabedrijf de zorgverstrekker uit voor een meerdaags wetenschappelijk congres en draagt het bedrijf alle kosten van de deelnemende zorgverstrekker zoals de inschrijvingskosten, studiemateriaal, verplaatsingskosten, maaltijdkosten en overnachtingskosten. Het volledige bedrag moet onder ‘bruto-inkomsten’ worden opgenomen maar tegelijk mag de zorgverstrekker dit bedrag terug in kosten nemen, zij het niet voor de volle 100% maar slechts voor 97,52%. De tussen-

kosten gedragen door de zorgverstrekker zelf – als tussenkomst in restaurantkosten worden beschouwd. Gezien het farmabedrijf slechts gedeeltelijk tussenkomt in de kosten van deelname aan het congres, moet men ervan uitgaan dat de zorgverstrekker zelf nog een aantal beroepsmatige kosten draagt. Deze kosten zijn, uiteraard binnen de wettelijke aftrekbeperkingen, wel aftrekbaar als beroepskost. De onder 1) vermelde niet -aftrekbare kosten blijven ook in dit systeem niet-aftrekbaar.

Wat is de regeling voor wetenschappelijke manifestaties zonder overnachting? © Jan (Jan De Graeve)

Uiteraard mag de zorgverstrekker zelf geen eventuele bijkomende kosten met betrekking tot het wetenschappelijk congres inbrengen tenzij hij effectief kan bewijzen dat het om beroepsmatige kosten gaat. De bijkomende eigen kosten moeten in principe als persoonlijke kosten worden aangemerkt. Mogen dus niet als aftrekbare beroepskosten worden beschouwd: ·· de reis- en verblijfkosten van de meegereisde partner; ·· de kosten met betrekking tot ontspannende, toeristische en gastronomische gebeurtenissen die n.a.v. het congres georganiseerd worden; ·· buitensporige reis- en verblijfkosten of overdadige hotel- en restaurantkosten. Onder druk van haar rechtspraak heeft Mdeon beslist haar richtlijnen aan te passen. Vanaf 01.07.2010 mag de kost van een overnachting, ontbijt inbegrepen, niet hoger zijn dan 250 euro. In principe is de richtprijs voor een diner 75 euro en voor een lunch 40 euro. Binnen Europa moeten verplaatsingen met het vliegtuig gebeuren in economyclass, met de trein in ‘comfort 1’ of ‘comfort 2’. Voor verplaatsingen buiten Europa mag worden gebruikgemaakt van economy- of business-class, maar niet van firstclass.

De omzendbrief van 28 mei 2008 haalt tevens de situatie aan waarbij een farmabedrijf tussenkomt in de kosten voor deelname van een zorgverstrekker aan een wetenschappelijk congres (Wetenschappelijk programma + eventueel verblijf) dat niet over meerdere kalenderdagen verloopt. In dat geval moet geen visum worden aangevraagd; de organisator kan echter bij vzw Mdeon vrij­ willig melding doen van het congres. Vzw Mdeon levert in dat geval een gewone ontvangstmelding af. De pragmatische fiscale benadering geldt hier echter niet; het bedrijfskarakter van de manifestatie wordt immers niet bewezen aan de hand van fiche 281.50 met vermelding van een visumnummer. De zorgverstrekker moet zelf – eventueel met behulp van het farmabedrijf – het beroepsmatige karakter van de met het voordeel overeenstemmende kosten aantonen. Voor het farmabedrijf is de kost van de tussenkomst aftrekbaar als beroepskost op voorwaarde dat fiche 281.50 opgesteld wordt en dat de tussenkomst niet in strijd is met de Geneesmiddelenwet. Wat bij verlenging van het verblijf voor private doeleinden (bv. vakantie)?

2. Het farmabedrijf komt rechtstreeks en slechts gedeeltelijk tussen in de kosten van deelname aan de wetenschappelijke manifestatie.

Soms gebeurt het – vooral bij buitenlandse congressen – dat de zorgverstrekker zijn verblijf wenst te verlengen voor private doeleinden. Volgens de fiscus moet de tussenkomst van het farmabedrijf in de deelnamekosten strikt beperkt blijven tot de werkelijke duur van de weten­ schappelijke manifestatie. De verblijfkosten om private redenen moeten als kosten van persoonlijke aard worden beschouwd. Deze zijn niet aftrekbaar als beroepskost.

Wanneer de tussenkomst geen terugbetaling van restaurantkosten omvat, mag het bedrag dat op fiche 281.50 vermeld wordt, integraal als beroepskost worden afgetrokken. Dit kan aangetoond worden aan de hand van het detail dat door het farmabedrijf afgeleverd wordt, met vermelding van alle kosten waarin het bedrijf tussenkomt (bv. inschrijvingskosten, verplaatsingskosten...). Gaat het wel degelijk om de terugbetaling van restaurantkosten, dan moet dit gedeelte van de tussenkomst afgezonderd worden en geldt hiervoor een aftrekbeperking tot 69%. Is dit gedeelte moeilijk bepaalbaar, dan mag forfaitair 8% van de totale kostprijs van het seminarie – de kosten ten laste genomen door het bedrijf en de

Toch moeten we dit standpunt enigszins nuanceren. Dat de zorgverstrekker een paar dagen langer ter plaatse wil blijven zorgt er niet voor dat de verplaatsingskosten naar de locatie van de wetenschappelijke manifestatie oplopen. In het kader van de pragmatische fiscale benadering mogen de integrale verplaatsingskosten toch ten laste worden genomen door het farmabedrijf, op voorwaarde dat de kosten niet hoger zijn dan wat betaald zou zijn ingeval het verblijf niet was verlengd en voor zover de duur van de verlenging “accessoir” of bijkomend is ten opzichte van de duur van het congres. Dit houdt eigenlijk in dat de kosten van het langere verblijf integraal worden betaald door de zorgverstrekker en dat het

langere verblijf ter plaatse niet leidt tot hogere verplaatsingskosten naar het wetenschappelijke congres. Om na te gaan of het privaat verblijf als bijkomend geldt, kan men gebruikmaken van de volgende tabel (zie website vzw Mdeon): uur van de manifestatie D Maximum aantal dagen in dagen opdat de verlenging als ‘accessoir’ wordt beschouwd



1,5 2 2,5 3 3,5 4 4,5 5 5,5 6 6,5 7

1 1,5 2 2 2,5 3 3,5 4 4 4,5 5 5,5

Als de verlenging van het verblijf niet langer accessoir is, moet de tussenkomst van het farmabedrijf in de verplaatsingskosten proportioneel herleid worden tot de werkelijke duur van de wetenschappelijke manifestatie en dit in verhouding tot de totale duur van het verblijf. Voorbeeld : Een dierenarts wil op uitnodiging van een farmabedrijf een tweedaags wetenschappelijk congres bijwonen in Kopenhagen. Hij vindt Kopenhagen een mooie stad en wil van de gelegenheid gebruikmaken om na het congres met zijn echtgenote nog twee dagen uit te trekken om de bezienswaardigheden van de stad te bezichtigen. De verplaatsingskosten voor de dierenarts zelf bedragen 400 euro; de andere congreskosten bedragen 600 euro. Het farmabedrijf neemt de volledige kostprijs van de deelname voor zijn rekening. Gezien de dierenarts nog twee dagen langer in Kopenhagen blijft, kan zijn privaat bezoek aan de stad niet meer als accessoir aan het wetenschappelijk congres worden gezien. Bijgevolg moet de tussenkomst van het farmabedrijf in de verplaatsingskosten beperkt worden tot 400 euro x 2 dagen/4 dagen, m.a.w. tot 200 euro. Het farmabedrijf moet op fiche 281.50 een bedrag van 800 euro (600 euro + 200 euro) vermelden. De kosten met betrekking tot zijn echtgenote zijn voor de dierenarts louter privékosten. Het farmabedrijf mag daar niet in tussenkomen.

Wat ingeval derden de zorgverstrekker vergezellen naar het congres? De Geneesmiddelenwet stelt duidelijk dat tussenkomst wat betreft deelnames aan wetenschappelijke manifestaties strikt beperkt moet blijven tot de zorgverstrekkers zelf. Indien de zorgverstrekker op diens uitdrukkelijk verzoek toch vergezeld wordt van derden, mag het farma­bedrijf de kosten m.b.t. deze derden niet ten laste nemen. Draagt de zorgverstrekker de kosten zelf, dan moeten ze gezien worden als kosten van persoonlijke aard.

Zorgverstrekkers die hun beroep uitoefenen als werknemer of als bedrijfsleider van een vennootschap In de administratieve circulaire nr. Ci.RH.241/597.925 van 9 maart 2010 breide de fiscus een vervolg aan de basiscirculaire van 28 mei 2008 met betrekking tot de fiscale behandeling van de tussenkomst in de kosten van deelname aan wetenschappelijke manifestaties die door de farmaindustrie aan medische zorgverstrekkers wordt verstrekt. Waar de basiscirculaire zich enkel richt op zelfstandige zorgverstrekkers, behandelt deze aanvullende circulaire de situatie van zorgverstrekkers die hun beroep in dienstverband of als bedrijfsleider van een vennootschap uitoefenen. Het gaat hier wel degelijk om wetenschappelijke manifestaties waarvoor vzw Mdeon een visum heeft uitgereikt.

1. Zorgverstrekkers met een gemengd statuut Sommige zorgverstrekkers zijn als werknemer verbonden aan een ziekenhuis en oefenen daarnaast een zelfstandige activiteit uit. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een dierenarts als werknemer verbonden is aan een dierenkliniek en daarnaast een zelfstandige praktijk uitoefent. In dit geval is niet altijd duidelijk of de tussenkomst van het farmabedrijf in de kosten van deelname aan een wetenschappelijk congres gebeurt ten behoeve van het ziekenhuis waaraan de zorgverstrekker is verbonden, dan wel ten behoeve van de zorgverstrekker zelf, in diens hoedanigheid van zelfstandige. Dit onderscheid is onder meer van belang bij het opstellen van fiche 281.50: op wiens naam moet de fiche worden opgesteld? Wanneer een farmabedrijf wil tussenkomen in de deelnamekosten aan een wetenschappelijk congres van een werknemer of een bedrijfsleider van een vennootschap, is het van belang of de uitno­ diging c.q. aanvraag tot tussenkomst gebeurt in hoofde van de werkgever of de vennootschap. Gaat de uitnodiging naar of gebeurt de aanvraag tot tussenkomst door een zorgverstrekker met een gemengd statuut, dan mag men ervan uitgaan dat de tussenkomst gebeurt ten behoeve van de zorgverstrekker in diens hoedanigheid van zelfstandige. Hetzelfde geldt voor zorgverstrekkers die enkel als zelfstandige verbonden zijn aan een ziekenhuis. In een dergelijke situatie moeten de fiches 281.50 op naam van de zorgverstrekker worden opgesteld. De principes van de basiscirculaire zijn van toepassing. Het bedrag van de fiche wordt als winst of baat gekwalificeerd, maar tegelijk mag 97,52% van dit bedrag als beroepskost worden afgetrokken zonder verdere bewijsvoering.

2. Belastingstelsel met betrekking tot de werknemer of bedrijfsleider Een farmabedrijf kan rechtstreeks tussenkomen in de deelnemingskosten van de werknemer of bedrijfsleider door zelf het wetenschappelijke congres te organiseren en de kosten ervan te dragen, of door de kosten van de deelname rechtstreeks te betalen aan de organisator van de manifestatie. De tussenkomst is onrechtstreeks als

Wat als het toch om een snoepreisje blijkt te gaan? Als naderhand mocht blijken dat een visum aangevraagd en bekomen werd voor een zogezegd wetenschappelijke manifestatie die eigenlijk een verdoken snoepreis blijkt te zijn, dan stelt het farmabedrijf zich bloot aan mogelijke strafrechtelijke sancties. Dit is eveneens het geval als een farmabedrijf tussenkomt in de kosten voor deelname aan een wetenschappelijke manifestatie waarvoor geen visum werd aangevraagd. Op fiscaal vlak kan de tussenkomst niet als beroepskost worden afgetrokken. In hoofde van de zorgverstrekker blijft het bedrag van het voordeel belastbaar. Aan kostenzijde kleeft een weerlegbaar feitelijk vermoeden dat het om private of overdreven uitgaven gaat, die derhalve niet aftrekbaar zijn.

de zorgverstrekker-werknemer (bedrijfsleider) of de werk­ gever (vennootschap) de kosten van de deelname eerst zelf betaalt waarna deze door het farmabedrijf worden terugbetaald tegen voorlegging van bewijsstukken. Ingeval een zorgverstrekker een kwalificerend wetenschappelijk seminarie volgt in de hoedanigheid van werknemer (bedrijfsleider) en in opdracht van de werkgever, dan moet men de tussenkomst van het farma­ bedrijf in de deelnamekosten niet als een belastbaar voordeel zien. Idem dito als een gedeelte van de kostprijs van de deelname aan het congres betaald wordt door een farmabedrijf en het resterende gedeelte door de werk­ gever (vennootschap). Betaalt het farmabedrijf de deelnamekosten volledig terug, dan kan de werknemer geen bijkomende kosten in aftrek brengen in zijn persoonlijke aangifte en kan de werkgever (vennootschap) voor dat seminarie in principe geen belastingvrije kosten meer uitbetalen aan de werknemer (bedrijfsleider). Betaalt de zorgverstrekker-werknemer (bedrijfsleider) zelf bepaalde deelnamekosten waarbij het farmabedrijf of de werkgever (vennootschap) niet tussenkomt, dan kan hij deze in zijn aangifte in de personenbelastingen aftrekken als werkelijke beroepskosten, op voorwaarde dat hij kan aantonen dat hij deze kosten gemaakt zijn om belastbare beroepsinkomsten te verkrijgen of te behouden. Net zoals in de basiscirculaire worden buitensporige kosten, kosten m.b.t. ontspannende, gastromische of toeristische uitstappen en kosten van de meegereisde partner uitgesloten als beroepskost. Restaurantkosten zijn slechts ten belope van 69% aftrekbaar. Wanneer de werkgever (vennootschap) deze kosten wel terugbetaalt, vormt dit een terugbetaling van kosten eigen aan de werkgever (vennootschap) die niet belastbaar zijn in hoofde van de werknemer (bedrijfsleider). De terugbetaalde kosten eigen aan de werkgever, moeten wel vermeld zijn op fiches 281.10 (of 281.20 voor bedrijfsleiders). Tot slot kan een werknemer (bedrijfsleider) ook voor eigen rekening deelnemen aan een wetenschappelijke manifestatie. Dit is het geval als hij uit eigen beweging en niet in opdracht van de werkgever (vennootschap) deelneemt aan de manifestatie. Tussenkomst in de deelname­ kosten door een farmabedrijf moet dan ook worden gezien als een winst of baat. Het volledige bedrag vormt een belastbaar inkomen, maar tegelijk mag 97,52% van het bedrag als beroepskost worden afgetrokken, zonder enige bewijsvoering. De individuele fiche 281.50 moet op naam van de zorgverstrekker-werknemer (bedrijfs­ leider) worden opgesteld.

3. Belastingsstelsel met betrekking tot de werkgever (vennootschap) Ingeval het farmabedrijf tussenkomt in de deelnamekosten van een werknemer (bedrijfsleider) aan een wetenschappelijke manifestatie, wordt fiche 281.50 opgesteld op naam van de werkgever (vennootschap). Ook als de zorgverstrekker een werknemer van een vzw is en hij in deze hoedanigheid deelneemt aan een wetenschappelijk congres, moet fiche 281.50 opgesteld worden ten name van de vzw. De pragmatische regeling die geldt voor zelfstandige zorgverstrekkers is ook toepasbaar op vennootschappen die aan de Belgische of buitenlandse vennootschapsbelastingen onderworpen zijn. Gezien de specifieke fiscale verwerking van niet-aftrekbare beroepskosten in de vennootschapsaangifte kan men de regels uit de basiscirculaire inzake vermindering van beroepskosten niet zonder meer toepassen op vennootschappen. Vennootschappen moeten bijvoorbeeld ingeval het farmabedrijf rechtstreeks tussenkomt in de beperkt aftrekbare deelnamekosten aan een wetenschappelijk congres, het niet-aftrekbare gedeelte opnemen onder ‘verworpen uitgaven’.

4. Inwerkingtreding van de nieuwe circulaire De regels van de circulaire van 9 maart 2010 worden geacht met terugwerkende kracht van toepassing te zijn op alle erkende wetenschappelijke manifestaties sedert 1 januari 2007. © Jan (Jan De Graeve)

Professionele samenwerkingsverbanden: enkele ( juridische) aandachtspunten Meer en meer slaan vrijberoepers de handen in mekaar en komen er, al dan niet sterk geïntegreerde, professionele samenwerkingsverbanden tot stand. Werken in een associatie is “in” vandaag en terecht. Diverse redenen liggen aan de basis van dit fenomeen. Vaak wil men een synergie tot stand te brengen om kosten te kunnen delen en een meer professionele service aan de clientèle te kunnen aanbieden. In teamverband is het immers mogelijk elkaar optimaal aan te vullen en krijgt specialisatie meer kansen. Anderen zijn dan weer op zoek naar een betere balans tussen werk en leven, onder het motto: werken is heilzaam, maar niet zaligmakend. Belangrijk bij het opzetten van een associatie in welke vorm ook, is dat er vanaf het begin kristalheldere afspraken worden gemaakt en dat men duidelijk weet hoe juridisch de vork in de steel zit.

Een goed contract als basis Henry Ford zei ooit: Coming together is a beginning, staying together is a progress and working together is a success”. Opdat professionele samenwerking inderdaad een succes wordt, blijft het best niet beperkt tot een vage, vrijblijvende alliantie met een of andere buurtcollega of een familielid, maar dienen er van meet af aan duidelijke afspraken te worden gemaakt. Bij voorkeur op papier! Contracten worden nu eenmaal gemaakt om er op te kunnen terugvallen als het “oorlog” wordt en dus worden de spelregels maar beter netjes uitgeschreven. In een goed associatiecontract komen minstens deze items aan bod:

1. Doel en visie Een duidelijk missionstatement, een min of meer gedetailleerde omschrijving van de hogere doelstellingen van je organi­ satie, is van essentieel belang. Waar wil je naartoe? Wat wil je bereiken? Wat is je visie en wat zijn je waarden? Het overleg hierover en de uitwerking ervan laten de toekomstige samenwerkende partners toe te toetsen of men wel degelijk op dezelfde golflengte zit; het brengt hen ook dichter mekaar en het werkt vaak zeer verhelderend en confronterend.

2. Duur De duurtijd van het samenwerkingsverband dient te worden bepaald. Men kan opteren voor een onbepaalde of bepaalde duur, met eventueel het inbouwen van een proefperiode. Hier dient zich meteen een eerste juridisch aandachtspunt aan. Een samenwerkingsovereenkomst kan al snel als een type vennootschap, meer bepaald als een zogenaamde “maatschap” (meer hierover zie verder) geïnterpreteerd en gekwali­ ficeerd worden. Men moet dus rekening houden met de wettelijke regels die gelden voor vennootschappen. Zo bepaalt

artikel 43 van het Wetboek Vennootschappen dat de ontbinding van de vennootschap door de wil van één van de partijen alleen toepasselijk is op de vennootschappen die voor onbepaalde tijd zijn aangegaan, en dat dergelijke ontbinding geschiedt door opzegging aan alle vennoten, mits die opzegging te goeder trouw en niet-ontijdig wordt gedaan. Houd er dus rekening mee dat een samenwerkingsovereenkomst die voor een onbe­paalde duur is aangegaan, door elke partij steeds eenzijdig kan worden opgezegd. Wordt de overeenkomst daaren­ tegen voor bepaalde duur aangegaan, dan is ze in principe niet opzegbaar.

3. Voorwerp De overeenkomst moet duidelijk de activiteiten omschrijven die gemeenschap­ pelijk worden uitgeoefend (de volledige praktijk, enkel een bepaald onderdeel of bepaalde specialisatie enz.).

4. Organisatorische werking Dit is naast het financiële aspect uiteraard een van de meest cruciale onderdelen van het samenwerkingscontract. Dienen o.a. aan bod te komen: de kwalitatieve toetsing, de dossiers (toegang/beheer), het werkschema, de vakantieregeling (hoeveel dagen op jaarbasis? gedurende welke periodes?), de wachtdienst, quid bij zwangerschapsverlof, secretariaat, medewerkers enz. Welke werktijden moeten de vennoten respecteren (werkuren, aantal te factureren uren,...)? Hoe zit het met andere tijdsbestedingen (bv. onderwijsopdrachten, activiteiten binnen beroepsverenigingen of professionele organisaties, andere nevenactiviteiten zoals een politiek mandaat, enz.)? Verder moet de taakverdeling worden geregeld.Hoe zullen de taken op vakinhoudelijk vlak worden verdeeld tussen de vennoten? Hoe worden de managementtaken onderling verdeeld? En hoe ver reiken de bevoegdheden van de vennoten in elk van deze domeinen? Hoe vaak zullen de vennoten samen

vergaderen, wanneer en waarover? En hoe worden tijdens die vergaderingen beslissingen genomen? (Bij consensus of meerderheid tegen minderheid? Hoe wordt gestemd? Per kop of in functie van de waarde van eenieders inbreng?) Men treft best ook schikkingen inzake werkongeschiktheid. Assocaties laten o.a. toe om bij tijdelijke werkonbekwaam­ heid deels zelf te voorzien in een financiële tegemoetkoming. Zo kan men bv. overeenkomen dat wie tijdelijk, door ziekte of ongeval werkonbekwaam wordt bv. de eerste zes maanden of het eerste jaar voor een welbepaald percentage blijft meedelen in de winsten en pas na verloop van de contractueel overeengekomen “franchiseperiode” zelf moet instaan voor de nodige verzekeringsdekking.

5. Financiële aspecten Goede rekeningen maken goede vrienden. Zeker in zaken. Bijgevolg doet men er goed aan vooraf ook grondig de financiële aspecten van de samenwerking uit te spreken en op papier te zetten. Het kan daarbij gaan van een loutere kosten­ associatie tot een volledig poolen van alle honoraria. Wat de inkomstenzijde betreft, zullen de nodige verdeelsleutels moeten worden vastgelegd en zal men afspraken moeten maken omtrent het periodieke inkomen dat de vennoten zich toekennen en de wijze waarop zal worden omgegaan met eventuele winst en verlies. Langs de uitgavenzijde zal men preciseren welke kosten de vennoten kunnen inbrengen en welke privé ten laste blijven. Indien slechts een van de vennoten eigenaar is van het gebouw waarin de praktijk gevestigd zal zijn, dienen hieromtrent huurafspraken te worden gemaakt met de andere ven­ noten. Inzake winst- en verliesdeling moet men met een basisregel van ons rechtssysteem rekening houden: er is namelijk een verbod op het zogenaamde “leeuwenbeding” (terug te vinden in art.32 van het Wetboek Vennootschappen). Afspraken die er op zouden neerkomen dat één vennoot alle winst opstrijkt en/of niet deelt in even­ tuele verliezen, zijn niet toegelaten. In dat

Eric Spruyt, notaris-vennoot Berquin Notarissen, Brussel – Docent HUB-Fiscale Hogeschool

geval zou de vennoot immers wel eens geneigd kunnen zijn om de vennootschap onverantwoorde risico’s te laten nemen.

6. Meningsverschillen en beëindiging van de associatie Het is ten slotte belangrijk in de asso­ ciatieovereenkomst “in tempore non suspecto” (lees: op het ogenblik dat het nog allemaal koek en ei is) reeds een regeling te treffen omtrent de aanpak van eventuele meningsverschillen. Zo kan het nuttig zijn een overlegprocedure te voorzien met eventuele bijstand van een onafhankelijk deskundige of ‘scheidsrechter’ (zoge­ naamde ‘arbitrage’). Moet de samenwerkingsovereenkomst ook belangrijke events bevatten die aanleiding kunnen geven tot het uitsluiten van een vennoot of tot de ontbinding van de associatie? Hoe zal men omgaan met de (financiële) gevolgen van beroepsfouten van de associés? Ook het einde van de samenwerking wordt best op voorhand min of meer gedetailleerd geregeld: wie neemt welke dossiers1? Quid inzake de verdeling van de apparatuur en het materiaal? Wat met het gebouw (verkopen of overname door een van de vennoten)? Wat met de lopende huur? enz.

Maatschap Professionele samenwerkingscontracten kunnen diverse gradaties en vormen aannemen. Het kan variëren van een zogenaamd contract sui generis – d.i. een niet door enige wettekst geregelde overeenkomst – tot een volwaardige vennootschap (bvba, nv, coöperatieve vennootschap). Eerder dan men vermoedt zal een samenwerkingscontract uitmonden in de meest rudimentaire vorm van vennootschap die ons recht kent, met name de maatschap (vroeger – vóór de inwerkingtreding van het nieuwe Wetboek van Vennoot-

schappen (W.Venn.)) – gekend als de burgerlijke vennootschap). Een vennootschap is immers per definitie (zie art.1, W.Venn.) niet méér dan een bij contract vastgelegde samenwerking tussen meerdere personen om gezamenlijk iets te ondernemen of een bedrijvigheid uit te oefenen en de daaruit voortvloeiende winsten of verliezen volgens een bepaald en overeengekomen schema te verdelen. De maatschap is in feite een soort ‘oervorm’ van vennootschap. De spelregels die haar beheersen (vroeger terug te vinden in het Burgerlijk Wetboek, thans in het Wetboek Vennootschappen) gelden tevens als basisregels voor elk type van vennootschap. Op de keper beschouwd is de maatschap niets anders dan een gesofistikeerde (of veredelde), bewust en contractueel georganiseerde onverdeeldheid. Mensen brengen goederen samen in onverdeeldheid en leggen hieromtrent zelf de spelregels vast. Dàt is de essentie.

in zee gaan, als doorslaggevend wordt ervaren. Een maatschap wordt dus in principe auto­matisch (!) ontbonden zodra een van de ven­noten overlijdt. In de praktijk wordt dit evenwel niet altijd als wenselijk ervaren en zal men via gepaste clausules in het contract zorgen dat ze blijft voortbestaan. Men kan in dit verband opteren voor een zg. verblijvingsbeding op grond waarvan de maatschap bij overlijden van een van de vennoten blijft bestaan met de overblijvende vennoten. Een andere mogelijkheid is een voortzettingsbeding. Hierbij viseert men het voortbestaan met de overblijvende vennoten enerzijds en de erfgenamen van de overleden vennoot anderzijds. Hoe gebeurt de winst- en verliesverdeling in een maatschap? Op grond van artikel 30 van het Wetboek van Vennootschappen is in principe het aandeel van elke vennoot in de winst en het verlies van de

Hoe komt zo’n maatschap nu concreet tot stand? Het gaat om een contract. De zogenaamde “pluraliteitsvereiste” dringt zich bijgevolg op, dit betekent dat een wilsovereenstemming tot stand moet komen tussen twee of meer mensen. Een maatschap kan dus nooit – zoals de eenmansbvba – het initiatief van één enkel iemand zijn. Er zijn geen wettelijke vormvereisten. De oprichters kunnen dus kiezen om de oprichtingsakte hetzij bij onderhands document hetzij bij authentieke akte voor de notaris te tekenen. Het laatste heeft als voordeel dat het document een ‘vaste datum’ (d.i. een door derden niet-contesteerbare datum) en een grotere (want authentieke) bewijskracht krijgt. Bovendien heeft men door een beroep te doen op de notaris, bij het uitschrijven van het contract juridische bijstand zodat alles juridisch correct verloopt. Bij het uitschrijven van de statuten kan men in alle vrijheid de interne organisatie van de maatschap bepalen. De maatschap heeft – anders dan een handelsvennootschap – geen echt maatschappelijk kapitaal. Er is bijgevolg geen wettelijk verplicht minimumkapitaal. De maatschap heeft enkel een vermogen. De aandelen van de vennoten in dit (onverdeeld) vermogen noemt men deelgerechtigdheden. Aan het hoofd van de maatschap zal/zullen één of meerdere zaakvoerder(s) staan die haar zal/zullen besturen en in goede banen leiden. Als opperste orgaan in de maatschap fungeert de algemene vergadering. Het is de verzameling van alle vennoten. Hoe men binnen deze algemene vergadering het stemrecht organiseert, regelt men eveneens in alle vrijheid. Doorgaans krijgt de algemene vergadering dit takenpakket toegemeten: benoeming en afzetting van de zaakvoerder, goedkeuring van de rekeningen van het afgelopen werkingsjaar, beslissingen inzake statutenwijziging, grote beleidsbeslissingen enz. De maatschap kan worden opgericht voor een bepaalde of onbepaalde duur. Meestal wordt voor het eerste gekozen. De maatschap is een contract “intuitu personae”. Dit betekent dat de identiteit van de personen die door dit samenwerkingsverband met elkaar

© Jan (Jan De Graeve)

maatschap evenredig aan zijn inbreng. Deze wettelijke regeling speelt evenwel enkel bij stilzwijgen van de statuten of bij het ontbreken van andersluidende statutaire clausules. Men kan dus perfect anders overeenkomen en het bv. zo organiseren dat de deelname in de winst (en het verlies) niet in verhouding staat tot de gedane inbreng maar op grond van andere verdeelsleutels aan de vennoten wordt uitgekeerd. Uit het bovenstaande blijkt dat de maatschap een zeer soepele structuur heeft die men perfect kan invullen en organiseren volgens de eigen specifieke behoeften. Bovendien biedt ze het voordeel van de discretie. Inderdaad, de oprichtingsakte of eventueel latere statutenwijzigingen moet niet worden bekendgemaakt in de bijlagen van het Belgisch staatsblad.

De inkomsten worden op een eenvoudige manier uit de maatschap gehaald. De maatschap is een vennootschapstype zon­ der rechtspersoonlijkheid. Dit betekent dat het in ons rechtssysteem niet als een afzonderlijk rechtssubject bestaat en vooral dat het geen afgescheiden vermogen bezit zoals bv. een bvba of nv. Een en ander maakt dat de maatschap volledig transparant is, ook op fiscaal vlak. Concreet betekent dit dat de inkomsten die binnen deze structuur tot stand komen, volgens de in de statuten daaromtrent gemaakte afspraken inzake winstverdeling, automatisch en rechtstreeks toevloeien aan de vennoten van de maatschap. Anders dan in een klassieke vennootshap moeten de inkomsten er dus niet worden “uitgehaald”. Dit biedt een belangrijk financieel voordeel want er is geen fiscaal tussenniveau waarop deze inkomsten in een eerste fase al belast en dus afgeroomd worden.

Een “echte” vennootschap Algemeen Het samenwerkingsverband kan uiteraard ook de vorm aannemen van een “echte” vennootschap zoals een bvba, nv of coöperatieve vennootschap (cvba). Iemand zei ooit dat werken in een vennootschap neerkomt op tennissen in de figuurlijke zin van het woord: het geeft je een tegenspeler en er zijn spelregels. Dat is inderdaad de essentie van het werken met een vennootschap. Je stapt in een welbepaald – door de wetgever – voor­ gehouden kader en je bent automatisch onderworpen aan een reeks rechten en verplichtingen. Afhankelijk van het type van vennootschap waarvoor je kiest, heb je op bepaalde domeinen al dan niet de vrijheid om contractueel af te wijken van het wettelijke keurslijf. Wie graag zijn vennootschap op creatieve wijze volledig naar zijn hand zet, opteert best voor een cvba. Opvallend veel samenwerkingsverbanden tussen vrijberoepers nemen de vorm aan van een coöperatieve vennootschap. Het is immers het vennootschapstype met de grootst mogelijke contractvrijheid en waarbij men de leefregels (lees: statuten) “tailor-made” kan maken. De cvba heeft bovendien als voordeel dat men er als vennoot (vrij) vlot kan in- of uittreden. Dit laatste is niet het geval bij een bvba of nv. Bij deze vennootschaps­ types kan men pas uit de vennootschap stappen als men een koper voor zijn aandelen heeft. Heeft men die niet, dan kan men als het ware de gevangene van zijn eigen aandelenbezit worden. Bij de nv en de bvba bestaat weliswaar een wettelijke uitstapregeling maar deze geldt slechts als er sprake is van conflictsituaties en vergt bovendien altijd de tussenkomst van de rechter. In de cvba daarentegen kan men de in- en uittreding vrij regelen in de statuten. De wetgever heeft bovendien voor de cvba een uitsluitingsregeling uitgewerkt die men desgevallend statutair kan bijsturen.

professionele samenwerking binnen een vennootschap te weten: het behoud van leiding enerzijds en het behoud van controle over het aandeelhouderschap anderzijds.

Behoud van leiding Een thema van vennootschapsrechtelijke aard dat bijzondere aandacht vergt, is de positie van de zaakvoerder/bestuurder. Wie aan het hoofd van een groepspraktijk staat, wil uiteraard de juridische garantie dat hij de leiding kan behouden zolang hij dit zelf wil, d.i. tot op het moment dat hij vrijwillig zijn ontslag aanbiedt. Dit brengt ons bij de vraag naar de mogelijkheden tot gedwongen ontslag in de diverse vennootschapstypes. In welke mate kan een bestuurder/zaakvoerder vermijden dat hij ongevraagd, op initiatief van de algemene vergadering, plots een “C4” in de brievenbus krijgt? We onderzoeken dit hierna voor de drie meest voorkomende vennootschaps­ vormen (bvba, nv, cvba).

Situatie in de bvba Binnen de bvba onderscheidt men twee soorten zaakvoerders, meer bepaald: 1. de statutaire zaakvoerder; 2. de niet-statutaire zaakvoerder.

De statutaire zaakvoerder voldoet aan deze kenmerken: 1. hij is in de statuten benoemd (bij de oprichting of n.a.v. een latere statutenwijziging naar aanleiding van een buitengewone algemene vergadering); 2. hij is benoemd zonder beperking van duur; 3. er is geen statutaire bepaling die stelt dat hij kan worden afgezet via het normale meerderheidsquorum vereist voor een statutenwijziging. Wat is zijn statuut? Hij geniet een grote bescherming en is moeilijk afzetbaar want: 1. hij is geacht benoemd te zijn voor de duur van de vennootschap; 2. hij kan maar worden afgezet (zonder enige redengeving) mits een procedure van statutenwijziging waarbij een een­ parig akkoord van alle vennoten vereist wordt, inclusief het akkoord van de zaakvoerder zelf als hij vennoot is! Door zelf tegen te stemmen kan hij dus zijn gedwongen ontslag verhinderen. Anders gesteld: een ambtsbeëindiging is enkel mogelijk op grond van onderlinge toestemming. Kan de (echte) statutaire zaakvoerder dan in geen enkel situatie aan de dijk worden gezet?

Toch wel. Maar hij kan enkel worden afgezet op grond van gewichtige redenen die zijn ontslag rechtvaardigen. Wat dit laatste betreft, bestaan in de praktijk wel eens misverstanden. Men denkt soms – ten onrechte – dat hiervoor altijd de tussenkomst van de rechtbank vereist is. Dat is echter niet het geval. Hoe zit de vork dan precies in de steel? Ofwel wensen of kunnen de vennoten die tot het ontslag van de statutaire zaakvoerder beslissen geen redengeving inroepen – dan geldt de noodzaak van een eenparig akkoord van alle vennoten, inclusief dit van de zaakvoerder-vennoot zelf (evenals de toepassing van de regels inzake statuten­ wij­ziging – ofwel kunnen de vennoten wel gewichtige redenen inroepen – dan kan de statutaire zaakvoerder ontslag krijgen op basis van een beslissing van de buitengewone algemene vergadering, mits naleving van de normale regels (inzake quorum en meerderheid) van statutenwijziging (3/4 meerderheid). In het tweede geval – bij inroeping van een gewichtige reden – is een rechterlijke tussenkomst a priori geenszins nood­ zakelijk! Het gedwongen ontslag van de statutaire zaakvoerder op grond van “gewichtige redenen” sorteert onmiddellijk effect. De rechtbank komt enkel tussen indien de zaakvoerder de gewichtige reden in twijfel trekt en deze contesteert. In dat geval is hij verplicht zich tot de rechtbank te wenden om zijn ontslag ongedaan te maken. Er is m.a.w. enkel een gerechtelijke controle a posteriori op de ernst van de ingeroepen reden tot ontslag. Wat zijn zoal “gewichtige redenen”? Enkele concrete voorbeelden: ·· langdurige afwezigheid; ·· grove tekortkomingen in het uitoefenen van zijn ambt; ·· flagrante miskenning van het W.Venn. of de statuten; ·· blijvende werkonbekwaamheid; ·· kennelijk wangedrag en ernstige wanprestaties; ·· aanvaarding van functies in een concurrerende firma. ·· enz. Weet dat daarnaast andere “gewichtige redenen” vrijelijk statutair ingeschreven kunnen worden. Zelfs de inbouw van een ad nutum principe in de statuten wordt bij een statutair zaakvoerder toegelaten.

Wie opteert om de samenwerkingspraktijk in een vennootschapsvorm te structureren, creëert meteen een aantal faci­ liteiten en mogelijkheden om efficiënter en rendabeler te werken en zich naar buiten toe te profileren. Werken via een vennootschap vergt wel een beginkapitaal, afhankelijk van het type vennootschap, maar laat anderzijds toe te ‘schipperen’ op diverse vlakken, wat vooral financieel en fiscaal interessant kan zijn. Kenmerkend voor een vennootschap is bovendien de tweespalt tussen enerzijds het bestuur (de zaakvoerder/bestuurders) en anderzijds het kapitaal (de algemene vergadering en de vennoten die binnen de schoot van dit orgaan elk hun stem hebben in functie van hun kapitaalinbreng). We kunnen uiteraard binnen het bestek van deze bijdrage niet ingaan op alle aspecten van het werken binnen vennootschapsverband. Dit is evenmin het kader om de voor- en nadelen per type vennootschap onderling te gaan verge­ lijken. Wel willen we even stilstaan bij twee problematieken die cruciaal zijn bij

Er kunnen een of meer zaakvoerders worden benoemd en ze hoeven niet allemaal hetzelfde statuut te hebben.

De niet-statutaire zaakvoerder voldoet aan deze kenmerken: 1. hij is niet benoemd in de statuten maar in het oprichtingsgedeelte of de overgangsbepalingen (of later bij bijzondere algemene vergadering); 2. hij is benoemd voor onbepaalde tijd. Wat is zijn statuut? Het ad nutum afzetbaarheidsprincipe (d.i. de dadelijke afzetbaarheid zoals in een nv, zie bespreking hieronder) speelt hier ten volle. Hij kan bij beslissing van de vennoten (buiten het procédé van een statutenwijziging om) afgezet worden met een gewone meerderheid (50% + 1 van de stemmen), tenzij een strengere meerderheid gesteld is in de statuten. Samengevat :

© Jan (Jan De Graeve)

wie werkt via een bvba en zich verzekerd wenst te zien van zijn “post” als zaakvoerder, laat zich best benoemen tot statutair zaakvoerder.

situatie in de nv

De nv wordt bestuurd door een raad van bestuur die in principe uit minstens drie bestuurders bestaat. Is het aandeelhouderschap binnen een nv evenwel beperkt tot twee, dan mag de raad van bestuur ook beperkt blijven tot twee personen. Bestuurders in een nv worden steeds benoemd door de algemene vergadering. De duurtijd van het bestuursmandaat in de nv kan in principe in het benoemingsbesluit vrij ingevuld worden. Er geldt evenwel een wettelijke maximumduur van zes jaar. Herbenoeming na verloop van zes jaar is mogelijk. Statutair kan desgevallend de maximumduurtijd van het bestuursmandaat op minder dan zes jaar worden gesteld. Statutair een minimumduur garanderen aan de benoemde bestuurder is evenwel niet mogelijk vermits het strijdig is met het principe van de ad nutum afzetbaarheid (zie hieronder). Een benoeming voor langer dan zes kalenderjaren is nietig. Het mandaat wordt dan van rechtswege gereduceerd tot zes jaar. Indien de duurtijd van het mandaat bij de benoeming niet gepreciseerd is, wordt het mandaat geacht verleend te zijn voor zes jaar. Indien een bestuurder door de algemene vergadering benoemd wordt ter vervanging van een zittend bestuurder en de duur van zijn mandaat in het benoemingsbesluit niet gepreciseerd is, wordt hij geacht het mandaat van zijn voorganger af te maken. Algemeen wordt gesteld dat de contractuele relatie tussen het bestuursorgaan en de vennoot, in het vennootschapsrecht gebaseerd is op de juridische figuur van de lastgeving. Op grond van ons Burgerlijk Wetboek kan de lastgever te allen tijde het mandaat herroepen. Bijgevolg geldt als algemeen vennootschapsrechtelijk principe de ad nutum afzetbaarheid van de bestuurder in de nv. ‘Ad nutum’ betekent: op ieder moment bij beslissing van de algemene vergadering – ongeacht het aanwezigheidsquorum – met een gewone meerderheid (50% + 1 van de stemmen) en zonder opzegtermijn. In de nv neemt dit principe de allure van een heilige koe aan! Het ad nutum herroepbaarheidsprincipe verklaart o.m. volgende clausules nietig: 1. een statutaire clausule luidens dewelke een mandaat van een bestuurder van een nv onherroepelijk is of slechts herroepelijk op bepaalde gronden of mits inachtname van een opzeggingstermijn; 2. een statutaire of extrastatutaire clausule die de vennootschap ertoe verplicht een bestuurder een bepaalde minimumduur te garanderen; 3. statutaire clausules die een bijzonder (hoger) aanwezigheids- of meerderheidsquorum voorzien voor de afzetting van bestuurders. Het ad nutum afzetbaar karakter van het bestuursmandaat in de nv impliceert in principe ook de absolute nietigheid van overeenkomsten of statutaire clausules die ertoe strekken de vennootschap te verplichten een vergoeding te betalen aan een bestuurder voor de voortijdige beëindiging van zijn mandaat. Ten onrechte

betaalde vergoedingen kunnen zelfs door de vennootschap worden teruggevorderd. Samengevat :

de positie van een bestuurder binnen een nv is ronduit zwak te noemen als hij niet ook referentieaandeelhouder is (lees: minstens 50% + 1 van de stemmen in bezit heeft). Weet evenwel dat in de praktijk wel mechanismen bestaan om met een minderheidspakket aandelen toch recht te hebben op een zitje in de raad van bestuur. Dan wordt doorgaans gewerkt met categorieën van aandelen (vennoten A, B, C, enz.) gekoppeld aan een zogenaamd voordrachtsysteem waarbij iedere categorie van vennoten het recht heeft een bestuurder voor te dragen.

Situatie in de cvba De wetgever heeft bij het uitschrijven van het statuut van de bestuurder in de cvba, zich er bijzonder gemakkelijk vanaf gemaakt. De coöperatieve vennootschap wordt, bij stilzwijgen van de statuten, bestuurd door één bestuurder, al dan niet vennoot, benoemd door de algemene vergadering. That’s it! Deze wetsbepaling is van suppletief recht en geldt enkel als statutair geen andere regeling werd uitgewerkt. Wat de positie van de bestuurder binnen een cvba betreft, geldt bijvolg een zeer ruime contractvrijheid. De statuten kunnen nogal wat op maat uitwerken, zowel wat de benoeming als wat de afzetting van de bestuurder betreft. Men kan opteren voor een statutair benoemde of niet-statutair benoemde bestuurder. Men bepaalt ook vrij het aanwezigheids- en meerderheidsquorum inzake beslissingen omtrent benoeming en afzetting. Samengevat: de mate waarin men de positie van de bestuurder binnen de cvba al dan niet wenst te ‘betoneren’ kan in volledige vrijheid worden ingevuld. Vergrendeling van het bestuursmandaat kan o.a. plaatsvinden door de bestuurder statutair te benoemen en een sterke gekwalificeerde meerderheid (bv. meer dan 75%) te voorzien inzake statutenwijziging. Of nog door de afzetting enkel mogelijk te maken als aan bepaalde voorwaarden is voldaan (bv. slechts ontslag om gegronde redenen). De cvba wordt naar ons oordeel al te zeer miskend en is een zeer interessant vennootschapstype vooral in het kader van professionele samenwerking tussen vrijberoepers.

Controle over aandeelhouderschap Zodra de professionele vennootschap in handen is van meerdere vennoten/ aandeelhouders, moeten de nodige zorg en aandacht worden besteed aan regels inzake de overdracht van aandelen. Men moet vermijden dat aandelen vrij overgedragen kunnen worden en zodoende vreemde (ongewilde) “eenden in de bijt komen”. De vennootschapsrechtelijke regels terzake verschillen naargelang de rechtsvorm die de vennootschap heeft.

© Jan (Jan De Graeve)

Aandelenoverdracht in de bvba 1. Algemeen

De bvba heeft het zg. intuitu personae karakter. Dit betekent dat voor dit vennootschapstype het persoonlijke karakter van de verhoudingen tussen de vennoten essentieel is. Om dit persoonlijke karakter te vrijwaren en te vermijden dat buitenstaanders tegen de wil van de vennoten in de bvba zouden binnendringen, heeft de wetgever de overdracht van aandelen in dit type van vennootschap aan strenge regels onderworpen. Deze wettelijke regels zijn van toepassing op elke overdracht van aandelen binnen de bvba. Zowel op de overdracht ‘onder levenden’ als op de overgang in geval van overlijden, zowel op overdrachten ‘onder bezwarende titel’ (bv. verkoop) als op overdrachten ‘onder kostelozen titel’ (bv. schenking). Wat betreft de overgang van aandelen wegens overlijden moeten we opmerken dat zolang de aandelen in onverdeeldheid zijn tussen de erfgenamen van de overleden vennoot, de vennootschap de uitoefening van de eraan verbonden rechten kan schorsen totdat onder deze erfgenamen een gemeenschappelijke mandataris is aangeduid.

2. Principe: toestemming van de vennoten

Opdat de overdracht van aandelen in de bvba rechtsgeldig tot stand zou komen, is toestemming vereist van de helft van het aantal vennoten die in het bezit zijn van drie vierde van het kapitaal na aftrek van de rechten waarvan de afstand is voorgesteld. Een dubbele meerderheidsvereiste dus. Hoe dient deze berekening in concreto te gebeuren? De vennoot-overdrager wordt meege­ rekend om tot de helft der vennoten te komen. Uiteraard kan dat alleen het geval zijn bij overdracht onder levenden en ingeval de vennoot-overdrager een of meer van zijn aandelen voor zich houdt. De drie vierde worden niet berekend op het gehele kapitaal maar op het kapitaal verminderd met de waarde van de aan­ delen waarvan de overdracht ter goedkeuring wordt voorgelegd.

3. Statutaire afwijkingen

De bovenstaande wettelijke regeling is wat men noemt ‘van openbare orde’. De statuten mogen bijgevolg hiervan niet afwijken, behalve wanneer de overdracht

via een expliciete statutaire regeling nog meer bemoeilijkt wordt. Zo kunnen de statuten de overdracht afhankelijk stellen van een unanieme eensgezindheid van de vennoten of van een goedkeuring bij grotere meerderheid dan door de wet voorzien. De overdracht kan ook bemoeilijkt worden door een facultatieve clausule van voorkoop ten voordele van de vennoten (zie verder, de nv). De statuten mogen de wettelijke regeling echter niet milder maken. Het is dus niet toegestaan om in de statuten te bepalen dat de aandelen vrij mogen worden overgedragen of dat slechts een bij gewone meerderheid verkregen toestemming voldoende is.

4. Sanctie bij gebrek aan toestemming

De overdracht van de bvba-aandelen is nietig als zij gebeurt buiten de door de wet vereiste toestemming. Zonder regelmatige goedkeuring zal de overdracht dus geen uitwerking hebben, noch tegenover de vennootschap, noch tussen de partijen.

5. Uitzonderingsgeval: overdracht aan ‘bevoorrechten’

De vennootschapswet bepaalt dat behoudens andersluidende bepaling van de statuten, de toestemming van de vennoten niet vereist is wanneer de aandelen worden overgedragen aan: a. een andere vennoot; b. de echtgenoot van de overdrager of de erflater; c. voor- of nazaten in rechte lijn van de vennoot; d. andere personen in de statuten toegelaten. Aan deze ‘bevoorrechten’ is de overdracht van aandelen dus in principe geheel vrij! Wat de laatste categorie betreft, wordt in de doctrine gesteld dat deze personen identificeerbaar moeten zijn in de statuten. Het is weliswaar niet noodzakelijk dat ze met naam aangeduid worden maar hun identiteit moet zodanig gepreciseerd zijn als nodig om te weten over welke personen het gaat. Een toestemming ten voordele van nog onbekende personen is dus niet geldig. De uitdrukking “behoudens tegenovergestelde bepaling der statuten” wijst erop dat de statuten toch de overdracht aan deze vier categorieën van personen aan de hoger besproken strengere wettelijke toestemming mogen onderwerpen en zodoende de vrije overgang van aandelen in het voordeel van deze bevoorrechten kunnen beperken.

Aandelenoverdracht in de nv 1. Algemeen

Uit het geheel van de wettelijke bepa­ lingen die de overdracht van aandelen in de nv regelen, kan men afleiden dat de

overdracht van aandelen in dit type vennootschap in principe totaal vrij kan gebeuren. Anders dan een bvba die intuitu personae wordt aangegaan, wordt een nv immers intuitu pecuniae aangegaan (niet de mens is belangrijk, eerder het kapitaal). Ofschoon dit tegenstrijdig kan klinken, wordt het principe van de vrije overdracht van aandelen binnen een nv als een hinderpaal ervaren, zeker binnen professionele vennootschappen. In de praktijk zal men de continuïteit van de vennootschap doorgaans verzekeren door het inbouwen van conventionele beperkingen op de overdracht van aandelen (zowel bij verkoop, bij schenking als bij overlijden) en dit ofwel in de statuten ofwel buiten de statuten om in een aandeelhoudersovereenkomst. Deze overdrachtsbeperkingen kunnen erin bestaan dat de aandeelhouder die zijn aandelen wenst over te dragen, ze eerst moet aanbieden aan de overige aandeelhouders, die alsdan over een voorkooprecht beschikken. Een variante is de goedkeuringsclausule die erin bestaat dat de aandeelhouder die zijn aandelen wenst over te dragen, de goedkeuring moet krijgen van de raad van bestuur of een ander orgaan, met de verplichting voor de raad van bestuur om in geval van weigering een andere koper te vinden.

2. Onvervreemdbaarheids­- clausules

Een uitdrukkelijke regeling bestaat voor de zogenaamde onvervreemdbaarheidsclausules (“standstill”). Bedoeld zijn clausules die in een absoluut verbod tot overdracht gedurende een bepaalde periode voorzien. Zij moeten evenwel beantwoorden aan twee voorwaarden: ·· in de tijd beperkt zijn; ·· verantwoord zijn op grond van het belang van de vennootschap.

3. Voorkoop- en goedkeuringsclausules

Het Belgisch vennootschapsrecht beperkt zich ertoe te stellen dat de toepassing van voorkoop- en goedkeuringsclausules niet tot gevolg mag hebben dat de onoverdraagbaarheid van de aandelen verlengd wordt met meer dan zes maanden te rekenen vanaf de datum van het verzoek om goedkeuring of vanaf de uitnodiging om het recht van voorkoop uit te oefenen. Voorziet de clausule in een termijn van meer dan zes maanden, dan wordt deze van rechtswege ingekort tot de wettelijk vastgestelde maximumtermijn van zes maanden. De eigenlijke uitwerking van de goed­ keurings- of voorkoopprocedure, wordt overgelaten aan de contractuele vrijheid van de partijen. Bij ontstentenis van suppletieve wettelijke regels zal in de praktijk dus bijzondere aandacht moeten worden besteed aan de redactie van de goed­ keurings- en/of voorkoopclausule. Wat de partijen niet uitdrukkelijk vastleg­ gen in de clausule, is niet geregeld en kan dus aanleiding geven tot oeverloze discussies.

De goedkeuringsclausule betekent dat aan de raad van bestuur de macht wordt verleend om controle uit te oefenen op de overdracht van alle of een gedeelte van de aandelen. Bepaalde overdrachten moeten bijgevolg vooraf aan de goedkeuring van de raad van bestuur onderworpen worden volgens een statutair overeen­gekomen procedure. Waar in de toestemmingsclausule de beslissingsbevoegdheid bij de raad van bestuur ligt, wordt bij de voorkoopclausule het zwaartepunt gelegd bij de individuele aandeelhouder. Hij, en niet de raad van bestuur, beslist of hij de aangeboden aandelen al dan niet zal overnemen. De raad van bestuur heeft hier geen enkel controlerecht (tenzij statutair voorzien). De voorkoopclausule vereist een precieze uitwerking. Het voorkooprecht kan ofwel algemeen zijn (d.i. in het voordeel van alle aandeelhouders zijn) ofwel beperkt. Zo kan een voorkooprecht worden verleend aan bepaalde categorieën van aandelen die in de oprichtingsakte gecreëerd worden (categorie A, B, C, ...). Het probleem van de waardebepaling (lees: de prijs waartegen het voorkooprecht moet worden uitgeoefend) zal in de statuten moeten worden geregeld vermits de wetgever zelf geen regeling heeft voorzien. Men zal, zeker als het aandeelhouderschap bestaat uit fysieke personen, aandacht moeten besteden aan diverse overdrachtshypothe­ sen (verkoop, schenking, overlijden). Niet zelden gaat een voorkoopclausule gepaard met een clausule van volgplicht (“dragalong”) of volgrecht (“tag-along”), die de aandeelhouder respectievelijk verplichten om mee te verkopen of het recht geven op de kar te springen van een interessant afkoopbod.

Aandelenoverdracht in de cvba In de cvba (coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid) is de aandelen-overdracht wettelijk als volgt geregeld: aandelen kunnen in principe tussen vennoten onderling vrij worden overgedragen. In de statuten kunnen eventueel voorwaar­ den worden opgelegd. Aandelenoverdracht aan derden kan enkel aan: ·· personen die bij naam in de statuten zijn aangewezen; ·· personen die behoren tot de door de statuten bepaalde categorieën en voldoen aan de wettelijke of statutaire vereisten om vennoot te worden, met toestemming van de algemene vergadering of een ander daartoe door de statuten bevoegd gesteld orgaan. Het moge duidelijk zijn dat door deze wettelijke regeling de cvba – die zich in het algemeen kenmerkt als een vennootschapstype met een grote statutaire vrijheid waardoor zij dus uitermate geschikt is voor maatwerk – uitermate nuttig is in het kader van professionele samenwerkingsverbanden.

Familie aan boord In (grotere) familiale kmo’s wordt steeds vaker gewerkt met een zogenaamd “fami­ liaal charter”. Ook vrijberoepers die in familieverband samenwerken, kunnen daarin inspiratie vinden en er elementen uit putten die interessant kunnen zijn voor de eigen associatie. Het familiecharter is een soort ‘grondwet’ van de familie. De familiale vennoten leggen er hun visie in vast evenals een aantal gedragsregels die de relaties tussen de familie en het familiebedrijf regelen (o.a. vergoedingsaspecten, opvolging, bestuur, dividend­ politiek, carrièreverloop, toetreding van nieuwe familieleden enz.). Het is een belangrijk document binnen familiale samenwerkingsverbanden. Familiebedrijven hebben immers in vergelijking tot niet-familiebedrijven een extra dimensie, te weten het familiale aspect. Dit laatste is vaak de achilleshiel van het familiebedrijf, zeker bij conflictsituaties. Het familiecharter wordt best opgesteld en getekend op een onverdacht moment, namelijk bij de opstart van de samenwerking. Zodra zich een probleem aandient, is het immers vaak te laat om nog objectieve regels uit te stippelen. Op dat moment wordt vaak niet het probleem maar degene die het veroorzaakt, besproken. Of in voetbaltermen: er wordt niet langer op de bal maar op de man gespeeld. Er bestaat geen wettelijk kader voor het familiecharter. Het is uitvinding die ingegeven wordt door de praktijk en men kan er dus inhoudelijk alle kanten mee op. Het vraagt bovendien maatwerk. De concrete invulling van het charter zal van organisatie tot organisatie verschillen. Vaak is het geen juridisch afdwingbaar document maar heeft het vooral een belangrijke morele waarde. Toch kunnen bepaalde afspraken binnen het kader van een dergelijk charter wel dusdanig zijn dat ze juridisch afgedwongen kunnen worden. Het juridische is ook hier nooit veraf; het is bijvoorbeeld belangrijk dat het charter niet ingaat tegen bepaalde dwingende regels van ons recht. Zo mag het charter niet indruisen tegen bepaalde principes van ons vennootschapsrecht (het mag bijvoorbeeld de wettelijke taakverdeling tussen de vennootschapsorganen niet aantasten; stemafspraken moeten beperkt in de tijd zijn enz.)

1 Opmerking van de redactie. Hamvraag in de dier­geneeskunde: zijn de contracten bedrijfsbegeleiding op naam cfr. KB 10 april 2000 eigendom van de persoon die ondertekent of van de associatie bv. onder rechtspersoonlijkheid.

Bibliografie en aanbevolen lectuur: - GIELEN, R., Wel en wee van een associé, Roularta Books, 1992 - SPRUYT, E., e.a., Overdracht van het familiebedrijf, Story Scientia, 2009 - FVIB-handboek, Samenwerken in associatie

© Eric Spruyt Brussel, 19 september 2010

Overzichtsregister 2008 – 2010 ONDERWERP / TITEL

AUTEUR

THEMA

GEPUBLICEERD

Welke informatie moet een dierenarts aan zijn klanten verstrekken?

Paul Cambie

Management

n°3 en n°4 – jg. 1

Mensentaal

Gerda Baeyens

Communicatie

ieder nummer vanaf 3 jg.2

Beroepskosten : een belangrijk onderdaal bij de prijsberekening en de vastelling van erelonen

Franky Maesen

Financieel

n°1 – jg. 1

Fiscale voordelen van het oprichten van een vennootschap

Luc De Greef

Financieel

n°2 – jg. 1

Wat is cashflow? Hoe kun je toch financieren met een negatief resultaat als de cashflow oké is?

Koen Debeuf

Financieel

n°3 – jg. 1

Waardering van een vrij beroep

Koen Debeuf

Financieel

n°4 – jg. 1

Waardering van een vennootschap

Koen Debeuf

Financieel

n°5 – jg. 1

Meerwaarden op afschrijfbare activa in de personenbelastingen: aandachtspunten en fiscale optimalisaties

Franky Maesen

Financieel

n°2 – jg. 2

De nieuwe btw-regeling sedert 1 januari 2010

Franky Maesen

Financieel

n°3 – jg. 2

Opmaak van de uitbatingsrekening : afschijvingen als techniek voor fiscale optimalisatie

Franky Maesen

Financieel

n°4 – jg. 2

Beroepsopleiding in het buitenland of gesponsordesnoepreizen? Fiscus legt misbruik aan banden

Franky Maesen

Financieel

n°5/6 – jg. 2

Facturen : niet per se een noodzakelijk kwaad

G.L. Ballon

Juridisch

n°1 – jg. 1

Betalingsvoorwaarden op de voorzijde van de factuur

Rita Gielen

Juridisch

n°1 – jg. 1

Vierstappenplan om onbetaalde facturen betaald te krijgen

Rita Gielen

Juridisch

n°1 – jg. 1

De dierenarts als bewaarder bij medische ingreep

Karolien Beké

Juridisch

n°2 – jg. 1

Samenwerkingsovereenkomst met zelstandige medewerkers

FVIB

Juridisch

n°2 – jg. 1

De schijnzelstandigheid : een slappe koord

Tom Messiaen

Juridisch

n°2 – jg. 1

De zaak Prizrak : de vergoedbaarheid van schade bij verlies van een kans

Stephane Vereecken

Juridisch

n°3 – jg. 1

Het compromis : wat met de minnelijke ontbinding, de opschortende voorwaarden en de registratierechten?

Elke Volckaert / Stephane Vereecken

Juridisch

n°4 – jg. 1

De inplanting van een praktijk : waarop moet je letten

Karolien Beké

Juridisch

n°5 – jg. 1

Verjaringstermijn van de vordering van de dierenartsen

Ingrid Boone

Juridisch

n°5 – jg. 1

Het gewijzigd deskundigenonderzoek toegelicht

Marc castermans

Juridisch

n°6 – jg. 1

Auto’s : boorddocumenten,soorten verzekering en schadeafhandeling

Stephane Vereecken

Juridisch

n°6 – jg. 1 / n°1 en 2 – jg2

Hond bijt dierenarts. Baasje is aansprakelijk volgens Brusselse Rechtbank

Sophie Guiliams

Juridisch

n°1 – jg. 2

Het einde van de samenwerking tussen dierenartsen beter (problemen) voorkomen dan genezen

Lientje Van den Steen

Juridisch

n°1 – jg. 2

Verzorging van dieren of het uitoefenen van de diergeneeskunde : waar ligt de grens

Jan Opsomer

Juridisch

n°2 – jg. 2

De dierenartspraktijk geîncorpereerd in de gezinswoning : wat bij echtscheiding?

Eric Spruyt

Juridisch

n°3 – jg. 2

Aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door een verdwaald of ontsnapt dier

Sophie Guiliams

Juridisch

n°3 – jg. 2

Mijn kind wenst mee in de praktijk in te stappen : hoe pak ik dit best aan?

Eric Spruyt

Juridisch

n°4 – jg. 2

Professionele samenwerkingsverbanden : enkele (juridische) aandachtspunten

Eric Spruyt

Juridisch

n°5/6 – jg. 2

Psychofarmaca bij gezelschapsdieren – praktisch

Tiny De Keuster

Medisch/ Mangement

n°5/6 – jg. 2

Interviews

Interview met

Drie dierenartsen, een praktijk

Stefaan Vandeputte

n°1 – jg. 1

Visie op het beroep

Sabine schoofs

n°2 – jg. 1

Ook zonder medewerkers kan het prima gaan...

Johan Taverniers

n°3 – jg. 1

Leren rekenen met oog voor de klant

Guido Boone

n°4 – jg. 1

Het onmiskenbare belang van managementopleidingen

Els Rogiers

n°5 – jg. 1

Grote drang naar kennis en kwaliteit

Koenraad Florizoone

n°6 – jg. 1

Somnia geeft huisdieren een waardig einde

Dominique Platteeuw en Carla Verhooghe

n°1 – jg. 2

Kijk over de muur

Piet Vanthemsche

n°2 – jg. 2

Jongensfascinatie wordt unieke expertise

Peter Coutteel

n°3 – jg. 2

Gedragsproblemen en bijtende honden : onbekend of onbemind

Tiny De Keuster

n°4 – jg. 2

Als de kudde sterft, sterft het dorp

Johan De Ceuster

n°4 – jg. 2

Dierenwelzijn krijgt recht van spreken

Erik Van Tilburgh

n°5/6 – jg. 2

Communicatie/management

Fiscaal/Financieel

Juridisch

Medisch

MENSENTAAL

Omgaan met klachten Beschouw een klacht niet als een aanval maar als een kans! Een klant die klaagt is teleurgesteld in uw dienstverlening maar voelt zich nog steeds betrokken bij uw praktijk (en stapt niet meteen over naar de concurrentie).

1. Luister & L aat de klant uitpraten

2. Evalueer de klacht

Een klacht bestaat grotendeels uit emotie en heeft relatief weinig te maken met het eigenlijke feit. Laat de klant daarom ‘uitrazen’ – in deze fase in discussie gaan, heeft geen enkele zin – luister en toon begrip. Neem zijn klacht au sérieux; vaak volstaat dit al om de onvrede weg te nemen. > ‘Mevrouw Daens, ik kan begrijpen dat u boos bent.’

Bedwing de reflex om in de verdediging te gaan (discussie gewonnen is vaak ‘een klant minder’). Ga na of de klacht gegrond is. Als dat zo is, bied uw excuses aan (ook al is de fout bij een collega te zoeken). > ‘Het spijt me dat u de verkeerde pilletjes meekreeg.’ 3. Overtref de verwachtingen

Is de klacht ongegrond, vertel de klant dan in heldere taal waarom dit zo is. Is de klacht terecht, zoek dan meteen een oplossing, liefst een die de verwachtingen van de klant overtreft. > ‘Kunnen wij het goedmaken met een zak voeding voor Boris?’ 4. Nazorg

Controleer naderhand of alles naar wens is. Als dat zo is, hebt u er gegarandeerd een ambassadeur bij! > ‘Mevrouw Daens, ik wilde even checken of u deze keer de goede pilletjes hebt meegekregen én de zak voeding voor Boris.’

Volgende keer: Omga an me t wanbe taler s

Gerda Baeyens

© Jan (Jan De Graeve)

Dit nummer werd gerealiseerd dankzij de steun en medewerking van

u w m ening telt ! Uiteraard zijn wij ook benieuwd naar uw reactie op deze nieuwsbrief. Hebt u vragen? Bent u het niet eens met bepaalde standpunten? Hebt u suggesties of mist u bepaalde informatie? Hebt u een bijzondere visie op het vak?

Met de ondersteuning van AUV Belgium CVBA

Aarzel vooral niet het ons te laten weten. U kunt ons bellen op 09 265 81 06, een fax sturen op 09 265 81 07 of mailen naar [email protected] Hartelijk dank voor uw interesse en medewerking. Daniel Lefebvre

een uitgave van

story publisher s

P. van Duyseplein 8, 9000 Gent [email protected] Tel.: 09 265 81 06 Fax: 09 265 81 07 Behoudens bij de wet uitdrukkelijk bepaalde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt op welke wijze ook, zonder uitdrukkelijke voorafgaande en schriftelijke toestemming van de uitgever. De inhoud van de artikels is afkomstig van indi­ viduele auteurs en verbindt geenszins de redactie.

O2 4 vets redactieraad: Karolien Beké, Advocaat – Praktijkassistente, vakgebied milieurecht,

Universiteit Gent • Karen Broeckx, raadsheer bij het Hof van Beroep te Gent – docent, Universiteit Gent, Faculteit Rechtsgeleerdheid • Luk Burgelman, Advocaat • Dr. Paul De Baerdemaeker, Dierenarts • prof. dr. sarne de vliegher, universiteit gent, faculteit diergeneeskunde • dr. georges hales, dierenarts, afgevaardigd bestuurder van een veterinaire groothandel • rita gielen, advocaat • prof. dr. aimé heene, Universiteit Gent, Faculteit Economie en Bedrijfskunde • Dr. Lic. Lionel Laurier, fagg • Jan Opsommer, Advocaat • Dr. Els Rogiers, Dierenarts • Prof. Emeritus Dr. Marc Verdonck, Universiteit Gent, Faculteit Diergeneeskunde • Stephane Vereecken, Advocaat – Praktijkassistent vakgroep burgerlijk recht, Universiteit Gent • Dr. Pierre Weyens, Dierenarts – Expert leescomité: Dr. David Lefebvre, Wetenschapper, Centrum voor Onderzoek in

Diergeneeskunde en Agrochemie (CODA), Ukkel Dr. Jan Meirsschaut, Dierenarts • Dr. Sabine Schoofs, Dierenarts • Daniël Vanheirzeele, Sales Manager, J. Story-Scientia Wetenschappelijke Boekhandel •

eindredactie: Gerda Baeyens, Tekst en Vertaalbureau A2BZBiz ontwerp en lay-out: Karakters, Gent druk: Karakters, Gent redactieadres: Story Publishers, P. Van Duyseplein 8, 9000 Gent

[email protected], Tel.: 09 265 81 06, Fax: 09 265 81 07 prijzen: (inclusief btw en verzendkosten), jaarabonnement (2009–2010):

6 nummers: e 35,00 vragen over abonnementen: Story Publishers, P. van Duyseplein 8, 9000 Gent,

[email protected], Tel.: 09 265 81 06 – Fax: 09 265 81 07 Adreswijziging: Bij wijziging van adres, een verbeterd adresetiket terugzenden a.u.b. Verantwoordelijke uitgever: Daniel Lefebvre, P. Van Duyseplein 8, 9000 Gent

View more...

Comments

Copyright © 2020 DOCSPIKE Inc.